Thema: Waddenzee vmbo-kgt34

Thema: Waddenzee vmbo-kgt34

Thema: Waddenzee

Intro

Aan de noordgrens van Nederland ligt de Waddenzee. Met de wadden worden modder- of zandplaten bedoeld die in de ondiepe zee liggen. Het waddengebied loopt langs de kust vanaf Den Helder in Nederland, langs de Duitse kust, tot Denemarken.

Al 16.000 jaar verandert het gebied van de Waddenzee, van Texel tot Denemarken, elke dag. Het is het grootste 'wetlandgebied' op aarde.

Bekijk de video over het natuurgebied de Waddenzee:

Het is een bijzonder natuurgebied, omdat de wadden tweemaal per dag droog komen te liggen bij eb.
Met de vloed komt voedselrijk water uit de Noordzee met daarin veel organismen zoals plankton (kleine planten en diertjes) en vissen.

In de bodem van de Waddenzee leven veel bodemdiertjes die zich voeden met het plankton uit de zee.
De scholekster gaat tijdens de eb op zoek naar de bodemdiertjes op de droge stukken wad.

In de Waddenzee komen ook twee soorten zeehonden voor:
de gewone zeehond (Phoca vitulinaen) en de grijze zeehond (Halichoerus grypus).
In 2002 zijn veel zeehonden gestorven aan een virus. Door hulp van zeehondencentra aan jonge en zieke zeehonden en een betere waterkwaliteit in de Waddenzee zijn er tegenwoordig weer meer zeehonden.

Het virus waar de zeehonden aan stierven is niet gevaarlijk voor mensen,
maar wel voor honden. Door een inenting kun je ervoor zorgen dat honden en zeehonden niet ziek worden. In dit thema leer je daarom ook meer over afweer en vaccineren.

Zeehonden zijn net als mensen zoogdieren. Zij zijn levendbarend en zogen hun jongen.
In dit thema leer je meer over de voortplanting van zoogdieren.
Ook leer je meer over de menstruatiecyclus, bevruchting, zwangerschap en geboorte bij een mens.

Je sluit het thema af met het maken van examenvragen die aansluiten bij de leerdoelen van dit thema. 

Wat kan ik straks?

Kennis
Aan het eind van dit thema kan ik:

K12: Man en vrouw

  • Met behulp van voorbeelden duidelijk maken wat het verschil is tussen primaire- en secundaire geslachtskenmerken.
  • De onderdelen van het mannelijke geslachtsorgaan benoemen en de functie(s) van de onderdelen beschrijven.
  • De onderdelen van het vrouwelijke geslachtsorgaan benoemen en de functie(s) van de onderdelen beschrijven.
  • Een voorbeeld geven van een geslachtshormoon en aangeven waar dit hormoon aangemaakt wordt.

K12: Menstruatiecyclus

  • Het begrip menstruatiecyclus omschrijven.
  • De 'weg van de eicel' tijdens de menstruatiecyclus beschrijven.
  • Beschrijven hoe het baarmoederslijmvlies verandert tijdens de menstruatiecyclus.

K12: Bevruchting bij mensen

  • Omschrijven wat een bevruchting is en aangeven waar de bevruchting van een eicel door een zaadcel plaatsvindt en waar de eventuele innesteling plaatsvindt.
  • De werking van een zwangerschapstest beschrijven.
  • Uitleggen wat het verschil is tussen een eeneiige tweeling en een twee-eiige tweeling.
  • Twee vormen van onvruchtbaarheid bij mannen en vrouwen beschrijven.

K12: Zwangerschap en bevalling

  • Beschrijven hoe het embryo zich ontwikkelt tijdens de zwangerschap.
  • Omschrijven hoe de foetus in de baarmoeder aan voedingsstoffen en zuurstof komt.
  • Drie stadia tijdens de geboorte beschrijven.
  • Twee voorbeelden beschrijven van prenatale diagnostiek.

V1: Afweersysteem

  • De begrippen antigen en antistof omschrijven.
  • Beschrijven hoe een infectie met een virus verloopt.
  • Met behulp van een voorbeeld uitleggen wat het afweersysteem doet.
  • Met behulp van een voorbeeld duidelijk maken dat ziektes van dier naar mens overdraagbaar zijn.
  • Een voorbeeld van een infectie noemen die bestreden kan worden met antibiotica.

V1: Vaccineren

  • Uitleggen wat het verschil is tussen actieve en passieve immunisatie.
  • Omschrijven wat een serum is.
  • Met behulp van een voorbeeld duidelijk maken dat ook dieren gevaccineerd worden.
  • Omschrijven hoe een vaccin wordt gemaakt
  • Uitleggen waarom vaccineren tegen corona belangrijk is.

K6: Determineren

  • Het begrip determineren omschrijven.
  • Met behulp van een determineertabel de Nederlandse naam opzoeken van een planten of diersoort.

Vaardigheden:
Aan het eind van dit thema kan ik:

  • Ten behoeve van een onderzoeksvraag informatie opzoeken.
  • De resultaten van een onderzoek presenteren in een folder.
  • Een mindmap maken.
  • Determineren met een determinatietabel.

Wat kan ik al?

Weet je het nog?
Het thema Waddenzee is het zesde thema in leerjaar 3.
De theorie uit enkele modules die je in de eerste thema's bent tegengekomen, heb je ook nodig bij de afsluiting van dit thema.
Als je twijfelt of je het nog weet, klik de modules hieronder dan nog eens door.

Klik op de links om de modules te openen.

Levenskenmerken

Fotosynthese

Verschillende eters

Overlevingsstrategieën

Voedselweb en voedselketen

Biotische en abiotisch

Wat ga ik doen?

Het thema Waddenzee bestaat uit de volgende onderdelen.
In de tabel staat per activiteit hoeveel lessen je ongeveer nodig hebt.

Activiteit

Aantal lessen

Inleiding

 

Wat kan ik straks?

0,5

Wat kan ik al?

2

Wat ga ik doen?

0,5

Modules

 

Module: Man en vrouw

2

Module: Menstruatiecyclus

2

Module: Bevruchting bij mensen

2

Module: Zwangerschap

2

Module: Antigenen en antistoffen

2

Module: Inenten

2

Module: Determineren

2

Afsluiting

 

Samenvattend

0,5

Examenvragen

0,5

Terugkijken

0,5

Totaal:

20 à 21

 

 

 

Modules

Man en vrouw

Man en vrouw

Intro

Waarschijnlijk weet je inmiddels prima het verschil tussen het lichaam van een jongen en het lichaam van een meisje.
Maar weet je ook hoe alle onderdelen van de geslachtsorganen heten en of ze primair of secundair zijn? Daarover gaat deze module.
In de volgende video komen de verschillende primaire geslachtsorganen van jongens en meisjes alvast aan bod.
Ga na het kijken verder met de rest van deze module.

Wat ga ik leren?

Na deze module kan ik:

  • met behulp van voorbeelden duidelijk maken wat het verschil is tussen primaire- en secundaire geslachtskenmerken.
  • de onderdelen van het mannelijke geslachtsorgaan benoemen en de functie(s) van de onderdelen beschrijven.
  • de onderdelen van het vrouwelijke geslachtsorgaan benoemen en de functie(s) van de onderdelen beschrijven.
  • een voorbeeld geven van een geslachtshormoon en aangeven waar dit hormoon aangemaakt wordt.

 

Wat ga ik doen?

 

Aan de slag

Stap

Activiteit

Stap 1

Je bestudeert het Kennisbankitem dat past bij dit onderdeel en test je kennis.

Stap 2

Weet je van verschillende dieren de naam voor het vrouwtje en de naam voor het mannetje?

Stap 3

Ga na of je de onderdelen van het mannelijk voortplantingsstelsel kunt benoemen.

Stap 4

Ga na of je de onderdelen van het vrouwelijk voortplantingsstelsel kunt benoemen.

Afronding

Onderdeel

Activiteit

Begrippenlijst

Hier vind je de begrippenlijst bij deze module.

Examenopgaven

Je maakt een aantal examenopgaven die passen bij dit onderwerp.

Terugkijken

Terugkijken op de module.

 

Tijd
Voor deze opdracht heb je 1 à 2 lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Kennisbank

Bestudeer uit de Kennisbank biologie het onderdeel:

Test je kennis
Beantwoord de volgende vragen over de theorie in de Kennisbank.

Stap 2: Mannetjes en vrouwtjes

Bij veel zoogdieren hebben het mannetje en het vrouwtje een eigen naam gekregen.
Hieronder zie je een lijst met dieren, en een lijst met namen van mannetjes en vrouwtjes.

Stap 3: Mannelijk voortplantingsstelsel

Stap 4: Vrouwelijk voortplantingsstelsel

Afronding

Begrippenlijst

Hier vind je de begrippenlijst die hoort bij deze opdracht.

Primaire geslachtskenmerken
Kenmerken, die vanaf de geboorte aanwezig zijn en waaraan je het geslacht (jongen of meisje) kunt bepalen. Bijvoorbeeld: penis, prostaat, vagina, baarmoeder.

Mannelijk voortplantingsstelsel
Orgaanstelsel bestaande uit organen die betrokken zijn bij de voortplanting van dieren, mensen en planten.

Urineblaas man
Ook wel blaas genoemd; orgaan waarin de urine uit de nieren wordt opgeslagen tot het moment van urineren (plassen).

Prostaat
Deel van de mannelijke geslachtsorganen; de twee zaadleiders monden via de prostaat in de urineleider uit. De prostaat voegt vocht met voedingsstoffen toe aan de zaadcellen.

Zaadleider
Afvoergang van zaadcellen van de bijbal richting de prostaat.

Teelbal (testes)
Mannelijk geslachtsorgaan waar de aanmaak van zaadcellen plaatsvindt en waar mannelijke hormonen worden aangemaakt.

Penis
Mannelijk geslachtsorgaan, ook wel lid genoemd, dat wordt gebruikt om urine te lozen, voor seksualiteit en geslachtsgemeenschap.

Vrouw
Vrouwelijk organisme, met alleen vrouwelijke geslachtskenmerken.

Balzak (scrotum)
In de balzak liggen de teelballen. Hier worden de zaadcellen aangemaakt.

Voorhuid
Voorste huidplooi op de penis die de eikel bedekt en beschermt.

Eikel
Uiteinde van de penis; zeer gevoelig plekje van een man dat bij aanraking zorgt voor seksuele opwinding.

Urinebuis man
Afvoergang van de blaas naar de buitenkant van het lichaam, die urine vervoert. Bij de zaadlozing van een man gaat ook het sperma hier doorheen.

Zaadcellen
Voortplantingscel van mannelijk dier of mens. Ook wel spermacel.

Bijballen
Deel van de mannelijke geslachtsorganen dat achter de teelbal in de balzak ligt. Hier worden zaadcellen opgeslagen.

Erectie
Als de zwellichamen volgelopen zijn met bloed spreek je van een erectie.

Zwellichamen
Orgaan in de penis dat zich kan vullen met bloed, waardoor de penis stijf wordt.

Sperma
Sperma is de naam voor zaadcellen en zaadvocht samen.

Vrouwelijk voortplantingsstelsel
Orgaanstelsel bestaande uit organen die betrokken zijn bij de voortplanting van dieren, mensen en planten.

Baarmoeder
Deel van de vrouwelijke geslachtsorganen; het embryo nestelt zich hierin en ontwikkelt zich tot foetus. De baby of het jong blijft hier tot de geboorte.

Eileider
Deel van de vrouwelijke geslachtsorganen; trechtervormige afvoergang van de eierstok naar de baarmoeder. In de eileider vindt de bevruchting plaats.

Eierstok
Vrouwelijk geslachtsorgaan waarin de ontwikkeling van eicellen plaatsvindt en waar geslachtshormonen worden aangemaakt.

Urineblaas vrouw
Ook wel blaas genoemd; orgaan waarin de urine uit de nieren wordt opgeslagen tot het moment van urineren (plassen).

Urinebuis vrouw
Afvoergang van de blaas naar de buitenkant van het lichaam, die urine vervoert.

Vagina
Deel van vrouwelijke geslachtsorganen; verbindt de baarmoeder met de buitenkant van het lichaam.

Man
Mannelijk organisme, met alleen mannelijke geslachtskenmerken.

Baarmoederslijmvlies
Laag slijmvlies aan de binnenkant van baarmoeder dat in de loop van de menstruatiecyclus dikker wordt en tijdens de menstruatie wordt afgestoten.

Clitoris
Deel van de vrouwelijke geslachtsorganen; zeer gevoelig plekje van een vrouw, dat bij aanraking voor seksuele opwinding zorgt.

Buitenste schaamlippen
Grootste schaamlippen, die zorgen voor bescherming van de vagina.

Binnenste schaamlippen
Kleinste schaamlippen, die zorgen voor bescherming van de vagina.

Anus
Uitmonding van de endeldarm waardoor ontlasting het lichaam verlaat.

Ovulatie
Eisprong: een eicel barst uit een rijpe follikel (blaasje met vocht in de eierstok) en komt vanuit de eierstok in de eileider terecht.

Hypofyse
Hormoonklier onder aan de hersenen, die verschillende hormonen aanmaakt en daarmee een groot aantal processen in het lichaam regelt.

Geslachtshormonen
Hormonen die worden aangemaakt in de geslachtsorganen (teelballen en eierstokken). Bijvoorbeeld: testosteron, oestrogeen en progesteron.

Oestrogeen
Vrouwelijk geslachtshormoon dat wordt aangemaakt in de eierstokken. Het zorgt o.a. voor bredere heupen en borstgroei in de puberteit en speelt een rol bij de menstruatiecyclus. Ook mannen hebben wat oestrogeen.

Progesteron
Hormoon dat wordt aangemaakt in de eierstokken. Onder invloed van progesteron wordt o.a. het baarmoederslijmvlies voorbereid op de innesteling van een bevruchte eicel. Als er geen zwangerschap optreedt, daalt de productie van progesteron en treedt menstruatie op.

Secundaire geslachtskenmerken vrouw
Geslachtskenmerken van meisjes die zich in de puberteit ontwikkelen, onder invloed van geslachtshormonen. Bijvoorbeeld: borsten en bredere heupen.

Testosteron
Mannelijk geslachtshormoon dat wordt aangemaakt in de teelballen; zorgt voor o.a. mannelijke beharing, ontwikkeling spieren, speelt een rol bij geslachtsdrift (libido). Ook vrouwen hebben testosteron (aangemaakt in de eierstokken en de bijnieren).

Secundaire geslachtskenmerken man
Geslachtskenmerken van jongens die zich in de puberteit ontwikkelen, onder invloed van geslachtshormonen. Bijvoorbeeld: extra spieren en baardgroei.

Examenopgaven

Je hebt in deze module veel theorie bestudeerd en veel opdrachten gemaakt.
In de afsluiting ga je aan de slag met examenvragen over dit onderwerp. Lees eerst de tips.

Tips

 

Van de examenvragen kan de voortgang worden bijgehouden op ExamenKracht.
Vraag verdere instructies aan je docent.

Binnenkort vind je hier examenvragen van ExamenKracht om mee te oefenen.

Terugkijken

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je de onderdelen van het mannelijk en vrouwelijk geslachtsorgaan benoemen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 1,5 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Klopt dat of had je minder/meer tijd nodig. Schrijf dan op hoe dat kwam.
  • Inhoud
    In klas 1 of 2 heb je ook al eens een opdracht over het mannelijk en vrouwelijk geslachtsorgaan gemaakt. Wist je het meest nog?
  • Begrippenlijst
    Kijk nog eens naar de begrippenlijst. Er staan heel veel begrippen in de lijst.
    Gebruik je de lijst? Schrijf op waarvoor je de lijst gebruikt.
  • Examenopgaven
    Heb je de examenopgaven gemaakt? Ging het goed?

Menstruatiecyclus

Menstruatiecyclus

Intro

Maandbloeding - ongesteldheid - opoe op bezoek - menses - periode ... allemaal andere woorden voor 'de menstruatie'.
Maar waarom worden meisjes en vrouwen eigenlijk ongesteld? Bekijk alvast de Clipphanger van SchoolTV.
Ga daarna aan de slag met deze module.

Wat ga ik leren?

Na deze module kan ik:

  • het begrip menstruatiecyclus omschrijven.
  • de 'weg van de eicel' tijdens de menstruatiecyclus beschrijven.
  • beschrijven hoe het baarmoederslijmvlies verandert tijdens de menstruatiecyclus.

 

Wat ga ik doen?

 

Aan de slag
Stap Activiteit
Stap 1 Je bestudeert het Kennisbankitem dat past bij dit onderdeel en test je kennis.
Stap 2 Maak een menstruatiekalender.
Stap 3 Bekijk de video over de bronsttijd en maak de sleepoefening.
Afronding
Onderdeel Activiteit
Begrippenlijst Hier vind je de begrippenlijst bij deze module.
Examenopgaven Je maakt enkele examenopgaven die passen bij dit onderwerp.
Terugkijken Terugkijken op de module.

 

Tijd
Voor deze opdracht heb je 1 à 2 lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Kennisbank

Bestudeer uit de Kennisbank biologie het onderdeel:


Test je kennis
Beantwoord de volgende vragen over de theorie in de Kennisbank.

Stap 2: Menstruatiekalender

Maak in een groepje van twee een menstruatiekalender.
Je kalender telt 28 dagen, en laat zien wat er gebeurt in het vrouwelijke voortplantingsstelsel.
Je kalender kan bijvoorbeeld bestaan uit vier rijen van zeven dagen, maar kan ook een cirkel zijn met 28 dagen.

  • Geef dagen dat de vrouw ongesteld is en de dag van de eisprong een eigen kleur.
  • Geef aan hoe de dikte van de baarmoeder verandert onder invloed van oestrogenen.
  • Geef aan hoe de concentratie progesteron en oestrogeen verandert in het bloed.
  • Geef ook in de kalender aan wat de vruchtbare periode van de vrouw is.

Vergelijk jouw kalender met de kalender van enkele klasgenoten.
Zijn deze hetzelfde?
Zijn er verschillen?
Klopt de informatie?

Stap 3: Bronstcyclus

Bij mensen duurt de menstruatiecyclus gemiddeld 28 dagen.
Op dag 14 vindt de eisprong plaats en kan de eicel bevrucht worden.
Bij veel zoogdieren noem je deze vruchtbare periode rond de eisprong de bronsttijd

Bekijk de video over de bronsttijd bij Edelherten op de Veluwe. 

Maak nu de oefening.

Afronding

Begrippenlijst

Hier vind je de begrippenlijst die hoort bij deze opdracht.

 

Menstruatie
Maandelijkse bloeding waarbij het verdikte baarmoederslijmvlies wordt afgestoten (wanneer een vruchtbare vrouw niet zwanger is).

Menstruatiecyclus
Vrij regelmatige reeks van processen in het lichaam van een vruchtbare vrouw. Tijdens de menstruatiecyclus vindt de ovulatie en menstruatie plaats. Het baarmoederslijmvlies wordt tijdens de cyclus dikker om eventueel een bevruchte eicel te laten innestelen. Hormonen regelen de menstruatiecyclus. De menstruatiecyclus duurt ongeveer 28 dagen.

Ovulatie
Eisprong: een eicel barst uit een rijpe follikel (blaasje met vocht in de eierstok) en komt vanuit de eierstok in de eileider terecht.

Baarmoeder
Deel van de vrouwelijke geslachtsorganen; het embryo nestelt zich hierin en ontwikkelt zich tot foetus. De baby of het jong blijft hier tot de geboorte.

Oestrogeen
Vrouwelijk geslachtshormoon dat wordt aangemaakt in de eierstokken. Het zorgt o.a. voor bredere heupen en borstgroei in de puberteit en speelt een rol bij de menstruatiecyclus. Ook mannen hebben wat oestrogeen.

Progesteron
Hormoon dat wordt aangemaakt in de eierstokken. Onder invloed van progesteron wordt o.a. het baarmoederslijmvlies voorbereid op de innesteling van een bevruchte eicel. Als er geen zwangerschap optreedt, daalt de productie van progesteron en treedt menstruatie op.

FSH
Follikel Stimulerend Hormoon. Wordt gemaakt in de hypofyse. Zorgt samen met LH voor de rijping van de eicellen.

LH
Luteïniserend hormoon. Follikel Stimulerend Hormoon. Wordt gemaakt in de hypofyse. Zorgt samen met FSH voor de rijping van de eicellen.

Hypofyse
Hormoonklier onder aan de hersenen, die verschillende hormonen aanmaakt en daarmee een groot aantal processen in het lichaam regelt.

Bronsttijd
Het paarseizoen bij dieren. De bronsttijd hangt samen met de vruchtbare periode van de vrouwtjes. Mannetjes gaan hun best doen om indruk te maken op de vrouwtjes en aan andere mannetjes te laten zien dat zij de sterkste in de groep zijn. Op die manier hopen ze zich voort te kunnen planten.
De bronsttijd valt in de herfst of de lente. Dit is afhankelijk van de zwangerschapsduur van de diersoort.

Examenopgaven

Je hebt in deze module veel theorie bestudeerd en veel opdrachten gemaakt.
In de afsluiting ga je aan de slag met examenvragen over dit onderwerp. Lees eerst de tips.

Tips

 

Van de examenvragen kan de voortgang worden bijgehouden op ExamenKracht.
Vraag verdere instructies aan je docent.

Binnenkort vind je hier examenvragen van ExamenKracht om mee te oefenen.

Terugkijken

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Ben je ongeveer 1,5 uur met de opdracht bezig geweest?
  • Inhoud
    Was de inhoud van de opdracht nieuw voor je of wist je het meeste al?
    Schrijf op wat nieuw voor je was.
  • Examenopgaven
    Heb je de examenopgaven gemaakt? Ging het goed?

Bevruchting bij mensen

Bevruchting bij mensen

Intro

Om voor nageslacht te zorgen moeten diersoorten, en dus ook de mens, de zaadcellen van het mannetje bij de eicellen van het vrouwtje brengen. Bij veel diersoorten gaat dat via inwendige bevruchting, maar er zijn ook diersoorten waar het gaat via uitwendige bevruchting.

In de volgende video van SchoolTV zie je de bevruchting bij de mens. Kijk de video en ga daarna verder met de rest van de module.

Wat ga ik leren?

Na deze module kan ik:

  • omschrijven wat een bevruchting is en aangeven waar de bevruchting van een eicel door een zaadcel plaatsvindt en waar de eventuele innesteling plaatsvindt.
  • de werking van een zwangerschapstest beschrijven.
  • uitleggen wat het verschil is tussen een eeneiige tweeling en een twee-eiige tweeling.
  • twee vormen van onvruchtbaarheid bij mannen en vrouwen beschrijven.

 

Wat ga ik doen?

Aan de slag

Stap

Activiteit

Stap 1

Je bestudeert de twee Kennisbankitems die passen bij dit onderdeel en test je kennis.

Stap 2

Bekijk de video over een zwangerschapstest en bespreek de vragen.

Stap 3

Zoek voorbeelden van dieren met inwendige bevruchting en voorbeelden van dieren met uitwendige bevruchting.

Afronding

Onderdeel

Activiteit

Begrippenlijst

Hier vind je de begrippenlijst bij deze module.

Examenopgaven

Je maakt enkele examenopgaven die passen bij dit onderwerp.

Terugkijken

Terugkijken op de module.

 

Tijd
Voor deze opdracht heb je 1 à 2 lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Kennisbank

Bestudeer uit de Kennisbank biologie het onderdeel:

Test je kennis
Beantwoord de volgende vragen over de theorie in de Kennisbank.

Stap 2: Zwangerschapstest

Een zwangerschapstest is een test om te bepalen of een vrouw zwanger is of niet.
Je kunt deze testen bij de apotheek of drogist halen of online bestellen.
Vroeger ging dat heel anders. Lange tijd werd de urine van de vrouw ingespoten in mannelijke kikkers.
Als deze kikkers binnen drie uur zaadcellen ging produceren, dan was de vrouw zwanger. Kikkers worden vandaag de dag niet meer gebruikt, maar nog wel de urine van de vrouw.

Hoe dat werkt zie je in de volgende video:


Lees samen met een klasgenoot de gebruiksaanwijzing van een zwangerschapstest door ( Bijsluiter zwangerschapstest - test-point.nl ).
Bespreek daarna de volgende drie vragen met een klasgenoot:

Hoe zorg je een zwangerschapstest gebruikt met een betrouwbaar resultaat?
Waarom houd je de tester in de urine van de vrouw?
Wat bevat de urine van een zwangere vrouw, wat niet in de urine van een niet zwangere vrouw zit?

Stap 3: Bevruchting

Bij zoogdieren spreek je van inwendige bevruchting. Inwendige bevruchting zie je ook bij insecten, reptielen en vogels. De eicel wordt in het lichaam van een vrouwtje bevrucht.
Bij vissen en amfibieën is sprake van uitwendige bevruchting. Dat komt omdat zaadcellen en eicellen in het water kunnen overleven en als elkaar kunnen vinden. Op het land kan dat niet. 

 

Afronding

Begrippenlijst

Hier vind je de begrippenlijst die hoort bij deze opdracht.

Bevruchting
Versmelten van mannelijke en vrouwelijke geslachtscellen. Bij plant: stuifmeelkorrel met eicel. Bij mens (en dier): zaadcel/spermacel met eicel.

Zygote
Een zygote is wat ontstaat als een zaad- en eicel versmelten.

Innesteling
Vasthechten van een jong embryo in het verdikte baarmoederslijmvlies, aan het begin van een zwangerschap.

Menopauze
Zodra de eicellen van een vrouw op zijn, zit zij in de menopauze.

HCG
Dit is het hormoon dat wordt afgegeven door de cellen die voortkomen uit de zygote.

Zwangerschapstest
Met een zwangerschapstest kan het hormoon HCG worden aangetoond.

Eeneiige tweeling
Uit één bevruchte eicel ontstaan twee losse groepjes cellen, die uitgroeien tot aparte embryo's. Eeneiige tweelingen hebben hetzelfde genotype (= DNA).

Twee-eiige tweeling
Voor het moment van bevruchting zijn twee eicellen tot rijping gekomen en beide zijn bevrucht, door twee verschillende zaadcellen. Uit deze twee bevruchte eicellen ontstaan twee embryo's. Twee-eiige tweelingen hebben een verschillend genotype (= DNA).

Onvruchtbaar
Als je onvruchtbaar bent kun je je niet voortplanten door een niet goed werkend voortplantingssysteem.

Embryo
Vroegste levensfase in de ontwikkeling van een plant of dier; na bevruchting van een eicel deelt de cel zich meerdere keren en gaan cellen zich specialiseren (= differentiatie).

Foetus
Ongeboren individu na de embryonale fase; het embryo is verder gegroeid en alle organen zijn ontwikkeld.

Navelstreng
Verbinding tussen het embryo of de foetus en de placenta; bevat twee slagaders en een ader.

Placenta
Ook wel moederkoek genoemd; orgaan dat ontstaat in de baarmoeder, waarin de uitwisseling van stoffen tussen het bloed van de moeder en dat van het embryo of de foetus plaatsvindt. Voedingsstoffen en zuurstof gaan naar de foetus toe, die afvalstoffen en koolstofdioxide afgeeft aan het bloed van de moeder.

Weeën
Krachtige samentrekkingen van de baarmoederspieren die de bevalling aankondigen.

Nageboorte
Vruchtvliezen, placenta en een deel van de navelstreng komen, kort na de geboorte van de foetus, naar buiten.

Echoscopie
Met behulp van geluidsgolven onderzoek je enkele uiterlijke kenmerken en de basale werking van organen.

Vlokkentest
Vorm van prenataal onderzoek, waarbij cellen worden gehaald uit de groeiende placenta.

Vruchtwateronderzoek
Vorm van prenataal onderzoek, waarbij cellen uit opgezogen vruchtwater worden onderzocht.

Versmelting
Samensmelten van twee celkernen bij bevruchting.

Menstruatie
Maandelijkse bloeding waarbij het verdikte baarmoederslijmvlies wordt afgestoten (wanneer een vruchtbare vrouw niet zwanger is).

Vruchtvliezen
Vliezen om een embryo of foetus in de baarmoeder, die het vruchtwater vasthouden en op deze manier de foetus beschermen.

Draagtijd
Ook wel dracht genoemd; periode die een embryo of foetus in de baarmoeder doorbrengt, vanaf de bevruchting tot aan de bevalling/geboorte. Bij mensen is dit 40 weken.

Examenopgaven

Je hebt in deze module veel theorie bestudeerd en veel opdrachten gemaakt.
In de afsluiting ga je aan de slag met examenvragen over dit onderwerp. Lees eerst de tips.

Tips

 

Van de examenvragen kan de voortgang worden bijgehouden op ExamenKracht.
Vraag verdere instructies aan je docent.

Binnenkort vind je hier examenvragen van ExamenKracht om mee te oefenen.

Terugkijken

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Maak bij ieder leerdoel een vraag en zorg dat je die vraag ook kunt beantwoorden.

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je 1 à 2 uur met de opdracht bezig zou zijn.
    Klopt dat?
  • Inhoud
    De opdracht heet 'Bevruchting bij mensen'.
    Sluit de inhoud aan bij de titel?
  • Examenopgaven
    Zes examenopgaven bij deze opdracht.
    Heb je ze allemaal gemaakt? Ging het goed?

Zwangerschap

Zwangerschap

Intro

In de vorige module keken we naar de bevruchting. Deze module gaat het over de zwangerschap die volgt op de bevruchting.
In de volgende video van SchoolTV zie je wat er gebeurt na een bevruchting in het lichaam van een vrouw.

Ga nu verder met de rest van deze module.

Wat ga ik leren?

Na deze module kan ik:

  • beschrijven hoe het embryo zich ontwikkelt tijdens de zwangerschap.
  • omschrijven hoe de foetus in de baarmoeder aan voedingsstoffen en zuurstof komt.
  • drie stadia tijdens de geboorte beschrijven.
  • twee voorbeelden beschrijven van prenatale diagnostiek.

 

Wat ga ik doen?

Deze opdracht bestaat uit 7 stappen. Mogelijk dat je niet alle stappen hoeft te maken.
Overleg met je docent.

Aan de slag

Stap

Activiteit

Stap 1

Je bestudeert het Kennisbankitem dat past bij dit onderdeel en test je kennis.

Stap 2

Zoek uit hoe de duur van de dracht is bij enkele dieren.

Stap 3

Bezoek een aantal websites en maak een mindmap over zwangerschap.

Stap 4

Bekijk de video over bevallen en beschrijf de verschillende stadia.

Stap 5

Zoek uit wat een verloskundige zoal doet en maak hiervan een kort verslag.

Stap 6

Maak een folder voor verloskundigenpraktijk over voeding tijdens de zwangerschap.

Stap 7

Bezoek de website van Burgers' Zoo en bekijk de video's over de drachtige breedlipneushoorn en de geboorte van een Ringelrob.

Afronding

Onderdeel

Activiteit

Begrippenlijst

Hier vind je de begrippenlijst bij deze module.

Examenopgaven

Je maakt een aantal examenopgaven die passen bij dit onderwerp.

Terugkijken

Terugkijken op de module.

 

Tijd
Voor deze opdracht heb je 3 lesuren nodig.
Doe je niet alle stappen dan heb je misschien minder tijd nodig.

Aan de slag

Stap 1: Kennisbank

Bestudeer uit de Kennisbank biologie het onderdeel:

Test je kennis
Beantwoord de volgende vragen over de theorie in de Kennisbank.

Stap 2: Duur van de dracht bij dieren

De dracht is een zwangerschap van een dier.
De duur van de dracht verschilt per diersoort.
De vuistregel is:
Hoe groter het dier, hoe langer de dracht.
Gebruik deze vuistregel en sleep de drachtduur naar de juiste afbeelding.

Stap 3: Mindmap zwangere vrouw

Een mindmap is een web gemaakt van woorden, begrippen, teksten of plaatjes, die zijn geordend rond een centraal thema.
Maak zelf een mindmap met zoveel mogelijk dingen die veranderen in het lichaam van een zwangere vrouw. Denk aan de verandering in de hoeveelheid hormonen, borstgroei, smaak, huid en gewicht.
Gebruik zo nodig de Kennisbank of een andere bron. Gebruik je mindmap als een samenvatting.
Je kunt de volgende bronnen gebruiken:

Bespreek daarna samen met een klasgenoot hoe jij je mindmap hebt gemaakt.
Welke verbindingslijnen heb je gemaakt?
Wat is jouw keus geweest voor de verbindingslijnen?

Mindmap maken

Woorden bij een onderwerp bedenken en met elkaar verbinden.

 

Stap 4: De geboorte

Bekijk de volgende video. Beantwoord daarna de vraag. Het antwoord op de vraag bespreek je met een klasgenoot. 

 

Stap 5: De verloskundige

Een verloskundige of vroedvrouw (ook voor mannen) houdt zich bezig met het begeleiden van zwangerschappen en bevallingen. Bekijk de video en beantwoord daarna de vragen onder de video:

 

Verslag schrijven

Een verslag is een goede manier om een onderzoek te beschrijven dat je hebt uitgevoerd.        

 

Stap 6: Informatiefolder

Wanneer een vrouw zwanger is, is gezonde voeding erg belangrijk. Je weet vast wel dat roken, alcohol en drugs niet goed zijn voor de foetus. Waar dient een zwangere vrouw allemaal rekening mee te houden om haar kind zo gezond mogelijk ter wereld te laten komen?

Jij gaat samen met een klasgenoot een voorlichtingsfolder maken voor een verloskundigenpraktijk.
De folder is bedoeld om informatie te geven aan zwangere vrouwen. Laat in de folder tenminste aan bod komen:
Alcohol, drugs, roken, foliumzuur, vitamine A, vitamine D, medicijnen, de 22 weken prik, besmettelijke ziekten, zwangerschapsyoga, kaas en andere voeding.

Wat schrijf je in een folder?

  • Inleiding, waarin je puntsgewijs aangeeft wat je gaat behandelen in de folder.
  • Geef informatie over de genoemde punten. Beantwoord de volgende vragen:
    • Wat is……?
    • Wat moet een zwangere vrouw over dit punt weten?
    • Waarom zijn bepaalde punten schadelijk? In welke mate?
    • Waarom zijn bepaalde punten wel nuttig? In welke mate?
  • Stap 3: Slot, waar kunnen mensen voor meer informatie terecht?

Tips:

  • Zorg voor een aantrekkelijke lay-out (uiterlijk van de folder).
  • Kies goede afbeeldingen en ‘plak’ die tussen de tekst.
  • Bedenk een mooie slogan (dat is een kreet zoals: ´alcohol maakt meer kapot dan je lief is´ of ´ik vrij veilig of ik vrij niet´).
  • Gebruik een mooi en goed leesbaar lettertype.
  • Houd de tekst kort, een te lange tekst gaan veel mensen niet lezen.
  • Print de folder uit en vouw hem op de juiste wijze.

Kijk voor tips en de beoordelingseisen in de Gereedschapskist hieronder. 

Folder maken

Met maken van een folder presenteer je kennis die je hebt opgedaan aan anderen.

 

Stap 7: Neushoorn en Ringelrob

Ga naar www.burgerzoo.nl en bekijk de twee filmpjes over de breedlipneushoorn en de ringelrob. Lees vervolgens de teksten over de neushoorn, de ringelrob en de mens.

De breedlipneushoorn of witte neushoorn leeft in Afrika op open vlakten. Het zijn planteneters.
De jongen kunnen direct na de geboorte al op eigen benen staan en de moeder volgen.

Neushoorns hebben een lange draagtijd van 18 maanden. Een volwassen neushoorn weegt 2000 kilogram. De zwangerschap is dan ook pas helemaal op het eind te zien. Een neushoornjong weegt gemiddeld 50 kilogam bij de geboorte.
Na 1 maand zijn ze al flink gegroeid en is het gewicht toegenomen met 10 kilogram.
Na 1 jaar wegen ze ongeveer 80 kilogram.

Een ringelrobben is een kleine zeehondensoort. Ringelrobben leven in het Noordpool gebied.
Ze leven van vis en krill (kleine garnalen en plankton).
Eén keer per jaar in het vroege voorjaar worden de jongen geboren.
Een jong weegt bij de geboorte gemiddeld 4,5 kilogram.
De moedermelk die ze krijgen bevat veel vet.
Daardoor groeien de jongen zeer snel.
Na 5 weken is het gewicht verdubbeld.
Als ze 1 jaar oud zijn, zijn ze al uitgegroeid tot 40 kilogram.

Mensenkinderen worden geboren na 9 maanden (38-40 weken) zwangerschap.
Ze wegen dan gemiddeld 3500 gram. Per maand neemt het gewicht toe met 400 gram.
Na 1 jaar wegen baby’s gemiddeld 8 kilogram.

In de tekst wordt gewichtstoename van neushoorn, ringelrob en mens beschreven.

Beantwoord nu de volgende vragen.

Grafiek maken

In een grafiek kun je heel overzichtelijk informatie aflezen over één specifiek onderwerp. Je maakt naar aanleiding van een onderzoek of opdracht een grafiek waarin je de opgedane kennis of resultaten weergeeft.

 

Afronding

Begrippenlijst

Hier vind je de begrippenlijst die hoort bij deze opdracht.

Bevruchting
Versmelten van mannelijke en vrouwelijke geslachtscellen. Bij plant: stuifmeelkorrel met eicel. Bij mens (en dier): zaadcel/spermacel met eicel.

Zygote
Een zygote is wat ontstaat als een zaad- en eicel versmelten.

Menopauze
Zodra de eicellen van een vrouw op zijn verkeert zij in de menopauze.

Innesteling
Vasthechten van een jong embryo in het verdikte baarmoederslijmvlies, aan het begin van een zwangerschap.

HCG
Dit is het hormoon dat wordt afgegeven door de cellen die voortkomen uit de zygote.

Zwangerschapstest
Met een zwangerschapstest kan het hormoon HCG worden aangetoond.

Eeneiige tweeling
Uit één bevruchte eicel ontstaan twee losse groepjes cellen, die uitgroeien tot aparte embryo's. Eeneiige tweelingen hebben hetzelfde genotype (= DNA).

Twee-eiige tweeling
Voor het moment van bevruchting zijn twee eicellen tot rijping gekomen en beide zijn bevrucht, door twee verschillende zaadcellen. Uit deze twee bevruchte eicellen ontstaan twee embryo's. Twee-eiige tweelingen hebben een verschillend genotype (= DNA).

Onvruchtbaar
Als je onvruchtbaar bent kun je je niet voortplanten door een niet goed werkend voortplantingssysteem.

Embryo
Vroegste levensfase in de ontwikkeling van een plant of dier; na bevruchting van een eicel deelt de cel zich meerdere keren en gaan cellen zich specialiseren (= differentiatie).

Foetus
Ongeboren individu na de embryonale fase; het embryo is verder gegroeid en alle organen zijn ontwikkeld.

Navelstreng
Verbinding tussen het embryo of de foetus en de placenta; bevat twee slagaders en een ader.

Placenta
Ook wel moederkoek genoemd; orgaan dat ontstaat in de baarmoeder, waarin de uitwisseling van stoffen tussen het bloed van de moeder en dat van het embryo of de foetus plaatsvindt. Voedingsstoffen en zuurstof gaan naar de foetus toe, die afvalstoffen en koolstofdioxide afgeeft aan het bloed van de moeder.

Weeën
Krachtige samentrekkingen van de baarmoederspieren die de bevalling aankondigen.

Nageboorte
Vruchtvliezen, placenta en een deel van de navelstreng komen, kort na de geboorte van de foetus, naar buiten.

Echoscopie
Met behulp van geluidsgolven onderzoek je enkele uiterlijke kenmerken en de basale werking van organen.

Vlokkentest
Vorm van prenataal onderzoek, waarbij cellen worden gehaald uit de groeiende placenta.

Vruchtwateronderzoek
Vorm van prenataal onderzoek, waarbij cellen uit opgezogen vruchtwater worden onderzocht.

Versmelting
Samensmelten van twee celkernen bij bevruchting.

Menstruatie
Maandelijkse bloeding waarbij het verdikte baarmoederslijmvlies wordt afgestoten (wanneer een vruchtbare vrouw niet zwanger is).

Vruchtvliezen
Vliezen om een embryo of foetus in de baarmoeder, die het vruchtwater vasthouden en op deze manier de foetus beschermen.

Draagtijd
Ook wel dracht genoemd; periode die een embryo of foetus in de baarmoeder doorbrengt, vanaf de bevruchting tot aan de bevalling/geboorte. Bij mensen is dit 40 weken.

Examenopgaven

Je hebt in deze module veel theorie bestudeerd en veel opdrachten gemaakt.
In de afsluiting ga je aan de slag met examenvragen over dit onderwerp. Lees eerst de tips.

Tips

 

Van de examenvragen kan de voortgang worden bijgehouden op ExamenKracht.
Vraag verdere instructies aan je docent.

Binnenkort vind je hier examenvragen van ExamenKracht om mee te oefenen.

Terugkijken

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Hoeveel tijd ben je met de opdracht bezig geweest?
    Heb je alle stappen gedaan of heb je (in overleg met je docent) stappen overgeslagen?
  • Inhoud
    Wist je al iets over het beroep verloskundige? Lijkt het je wat om als verloskundige aan de slag te gaan? Waarom wel of waarom niet?
  • Examenopgaven
    Zes examenopgaven bij deze opdracht.
    Heb je ze alle zes gemaakt? Ging het goed?

Antigenen en antistoffen

Antigenen en antistoffen

Intro

Als je ziek wordt gaat je lichaam aan de slag om de ziekteverwekkers op te ruimen. Daarvoor zitten in je lijf antistoffen tegen bepaalde ziektes. Hoe dit werkt leer je in deze module. In de volgende video van SchoolTV zie je hoe de antistoffen hun werk doen. Bekijk de video goed. De informatie die je hoort, kun je gebruiken tijdens deze module.

Wat ga ik leren?

Na deze module kan ik:

  • de begrippen antigen en antistof omschrijven.
  • beschrijven hoe een infectie met een virus verloopt.
  • (met behulp van een voorbeeld) uitleggen wat het afweersysteem doet.
  • (met behulp van een voorbeeld) duidelijk maken dat ziektes van dier naar mens overdraagbaar zijn.
  • een voorbeeld van een infectie noemen die bestreden kan worden met antibiotica.

 

Wat ga ik doen?

Aan de slag

Stap

Activiteit

Stap 1

Je bestudeert het Kennisbankitem dat past bij dit onderdeel en test je kennis.

Stap 2

Lees de tekst over monoklonale antistoffen. Beantwoord daarna de vragen.

Stap 3

Bekijk de video over Allergie en zoek informatie op over hooikoorts.

Afronding

Onderdeel

Activiteit

Begrippenlijst

Hier vind je de begrippenlijst bij deze module.

Examenopgaven

Je maakt een aantal examenopgaven die passen bij dit onderwerp.

Terugkijken

Terugkijken op de module.

 

Tijd
Voor deze opdracht heb je 1 à 2 lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Kennisbank

Bestudeer uit de Kennisbank biologie het onderdeel:

Test je kennis
Beantwoord de volgende vragen over de theorie in de Kennisbank.

Stap 2: Monoklonale antistoffen

Het lichaam maakt antistoffen als het een antigeen ontdekt.
Lees de tekst over monoklonale antistoffen en beantwoord de vragen.

Monoklonale antistof

In het lichaam maakt een B-lymfocyt antistoffen als hij een antigeen ontdekt.
Soms duurt het een tijdje voordat de B-lymfocyt begint met het maken van antistoffen.
Dat kan gevaarlijk zijn.
Daarom is het in een aantal gevallen beter om je al vooraf te beschermen met antistoffen.

Een techniek waarmee antistoffen worden gemaakt, maakt gebruikt van monoklonale antistoffen.
Je zoekt eerst een B-lymfocyt van iemand die de ziekte al heeft gehad en die antistoffen
maakt tegen een bepaald antigeen. De B-lymfocyt deelt zich niet meer, maar maakt alleen antistoffen.
Dan laat je de B-lymfocyt samensmelten met een cel die zich snel deelt, bijvoorbeeld een kankercel.
Er ontstaat dan een cel met twee eigenschappen: de cel kan zich snel delen en maakt antistoffen.
De cellen die dan ontstaan behoren tot één (mono) kloon en zijn dus monoklonaal.

Stap 3: Allergie

Steeds meer mensen zijn allergisch voor sommige stoffen,
dieren of voor voedsel. Dat is vervelend, want als je daarmee
in aanraking komt, gaat je lichaam vaak heel sterk reageren.
Bekijk de volgende video en beantwoord daarna de vragen onder de video. De antwoorden vind je deels in de video.

Afronding

Begrippenlijst

Hier vind je de begrippenlijst die hoort bij deze opdracht.

 

Antigen
Lichaamsvreemde cel die ervoor zorgt dat je afweersysteem in gang wordt gezet. Antigenen zitten bijvoorbeeld in virussen. Deze cellen verschillen van vorm van je eigen cellen. Hierdoor herkent je lichaam ze als vreemd en wordt je afweersysteem in werking gezet.

Antistof
Een lichaamseigen stof die precies aansluit op de antigen die het lichaam binnenkomt. Voor elk type antigen bestaat een andere antistof. Soms heeft je lichaam deze antistoffen al sinds je geboorte, maar antistoffen kun je ook in je lichaam krijgen door een vaccinatie of het doorlopen van een bepaalde ziekte.

Antibiotica
Medicijn die infecties met bacteriën kan bestrijden. Antibiotica is niet geschikt voor infecties met virussen.

Afweersysteem
Er zijn verschillende systemen waarmee je lichaam zich kan weren tegen bacteriën en virussen. Alle systemen samen wordt je afweersysteem genoemd.

Bloedcellen
Bloedcellen vorm samen met het bloedplasma het bloed. Er zijn drie typen bloedcellen: rode bloedcellen, witte bloedcellen en bloedplaatjes.

Bloedplasma
Bloedplasma vormt samen met bloedcellen het bloed en bestaat uit water met plasma-eiwitten en een aantal opgeloste stoffen.

Rode bloedcellen
Rode bloedlichaampjes, die hemoglobine bevatten en een functie hebben bij het vervoeren van zuurstof in het bloed.

Witte bloedcellen
Kleurloze bloedcellen met kern. Ze spelen een belangrijke rol in het afweersysteem.

Bloedplaatjes
Bloedplaatjes zijn stukjes van cellen. Ze zorgen voor het ontstaan van stolsel als ze beschadigd worden. Zo kan er uiteindelijk een korst worden gevormd.

Cellulaire afweer
Tweede afweer: witte bloedlichaampjes (witte bloedcellen) kunnen ziekteverwekkers insluiten en uitschakelen.

Lymfe
Lymfe is de vloeistof die door het lymfevatenstelsel stroomt.

Lymfevatenstelsel
Orgaanstelsel dat ervoor zorgt dat weefselvloeistof van overal in het lichaam via lymfevaten wordt teruggevoerd en uiteindelijk weer wordt opgenomen in het bloedvatenstelsel. Daarnaast speelt het lymfevatenstelsel een belangrijke rol bij de afweer tegen ziekteverwekkers.

Lymfeklieren
In de lymfeklieren wordt de lymfe gefilterd op ziekteverwekkers en andere schadelijke stoffen.Ook wel lymfeknopen genoemd.

Milt
Orgaan dat is betrokken bij het afweersysteem.

Zwezerik
Ook wel thymus genoemd; orgaan dat betrokken is bij het afweersysteem.

Hemoglobine
Kleurstof in rode bloedcellen, bindt en vervoert zuurstof en koolstofdioxide (koolzuurgas).

Examenopgaven

Je hebt in deze module veel theorie bestudeerd en veel opdrachten gemaakt.
In de afsluiting ga je aan de slag met examenvragen over dit onderwerp. Lees eerst de tips.

Tips

 

Van de examenvragen kan de voortgang worden bijgehouden op ExamenKracht.
Vraag verdere instructies aan je docent.

Binnenkort vind je hier examenvragen van ExamenKracht om mee te oefenen.

Terugkijken

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Ben je ongeveer 1,5 uur met de opdracht bezig geweest?
    Met welke stap ben je het langst bezig geweest?
  • Inhoud
    Heb jij last van hooikoorts of ken je iemand die last heeft van hooikoorts?
    Wist je al veel over deze allergie?
  • Examenopgaven
    Heb je de examenopgaven gemaakt? Ging het goed?

Inenten

Inenten

Intro

De meeste van jullie zullen als kind gevaccineerd zijn tegen allerlei (kinderziektes). Op die manier word je, soms de rest van je leven, beschermd tegen ziektes die je ernstig ziek kunnen maken. Sommige ziektes zijn zelfs dodelijk. Soms laat je je ook vaccineren als je op reis gaat naar een land buiten Europa. 
Ook om je te beschermen tegen COVID-19 is het nodig om je te laten vaccineren!

In deze module gaat het over vaccineren. Kijk als introductie eerst de volgende Clipphanger van SchoolTV.
Ga daarna aan de slag met de module.

Wat ga ik leren?

Na deze module kan ik:

  • uitleggen wat het verschil is tussen actieve en passieve immunisatie.
  • omschrijven wat een serum is.
  • (met behulp van een voorbeeld) duidelijk maken dat ook dieren gevaccineerd worden.
  • omschrijven hoe een vaccin wordt gemaakt.
  • uitleggen waarom vaccineren tegen corona belangrijk is.

 

Wat ga ik doen?

Aan de slag

Stap

Activiteit

Stap 1

Je bestudeert het Kennisbankitem dat past bij dit onderdeel en test je kennis.

Stap 2

Lees over de varkenspest en beantwoord een aantal vragen.

Stap 3

Bekijk de video over het vaccineren van honden en katten.

Stap 4

Als je op reis gaat moet je soms gevaccineerd worden. Bezoek een aantal websites over dit onderwerp en beantwoord de vragen.

Stap 5 Bekijk de video en lees over COVID-19. Beantwoord de vragen en bespreek samen met een klasgenoot de situatie rond het coronavirus.

Afronding

Onderdeel

Activiteit

Begrippenlijst

Hier vind je de begrippenlijst bij deze module.

Examenopgaven

Je maakt een aantal examenopgaven die passen bij dit onderwerp.

Terugkijken

Terugkijken op de module.

 

Tijd
Voor deze opdracht heb je ongeveer 2 lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Kennisbank

Bestudeer uit de Kennisbank biologie het onderdeel:

Inenten

 

Test je kennis
Beantwoord de volgende vragen over de theorie in de Kennisbank.

Stap 2: Inenten tegen de varkenspest

De varkenspest is een zeer besmettelijke ziekte onder varkens.
Lees deze tekst over de varkenspest en beantwoord daarna de volgende vragen.

De varkenspest is een ernstige ziekte onder varkens.
De ziekte wordt veroorzaakt door een virus en verspreidt zich door de lucht.
Er zijn testen waarmee de antigenen van het virus ontdekt kunnen worden.
Die testen noem je markertesten.
Inenten met een vaccin (vaccinatie) zou de ziekte kunnen uitroeien.
Dieren met het virus mogen niet worden verkocht, omdat er dan extra risico is op verspreiding van het virus.

Helaas kunnen dierenartsen een dier met het virus en het dier met het vaccin niet van elkaar onderscheiden. Daarom worden zieke dieren niet gevaccineerd, maar afgemaakt en vernietigd.

Stap 3: Vaccinaties honden

Het PDV-virus waar in 2002 veel zeehonden aan stierven is ook gevaarlijk voor honden. Honden kun je wel laten inenten.
Bekijk de volgende video op YouTube. Beantwoord daarna de vragen.

Stap 4: Vaccinaties mensen

Bekijk de volgende video. Praat daarna met een klasgenoot over het wel of niet vaccineren.


Wie op reis gaat moet soms gevaccineerd worden.
Kies samen met een klasgenoot een reisbestemming uit.
Zoek informatie op over het inenten voor deze reis en maak hier een kort verslag van.
Bronnen die je hiervoor kunt gebruiken zijn:

Verslag schrijven

Een verslag is een goede manier om een onderzoek te beschrijven dat je hebt uitgevoerd.        

 

Stap 5: Inenten tegen corona

COVID-19 is een besmettelijke ziekte die wordt veroorzaakt door het coronavirus.

De meeste mensen die besmet raken, hebben lichte tot matige klachten en herstellen zonder naar het ziekenhuis te hoeven. Sommige mensen worden ernstig ziek en hebben medische hulp nodig.

Sinds januari 2020 wordt er door meerdere organisaties en bedrijven gewerkt aan een geneesmiddel en in de loop van dat jaar zijn vaccins ontwikkeld om mensen tegen corona te beschermen.

Bekijk de video met vier vragen over COVID-19.

 

Beantwoord de volgende vragen.

Bespreek met klasgenoten de huidige situatie rond het coronavirus.
Heeft het vaccinatieprogramma voldoende geholpen?
Vinden jullie dat door vaccinatie mensen voldoende zijn beschermd en het virus wordt teruggedrongen?

Afronding

Begrippenlijst

Hier vind je de begrippenlijst die hoort bij deze opdracht.

Actieve immunisatie
Het immuun worden voor een bepaalde ziekte door inspuiten van een antigeen. Vaak is dit immuniteit voor het leven.

Passieve immunisatie
Het tijdelijk immuun worden voor een bepaalde ziekte door het inspuiten van een antigeen.

Vaccin
Stof die in het lichaam wordt gespoten. De stof bevat een kleine hoeveelheid afweerstoffen die ervoor zorgen dat je afweersysteem de juiste antistoffen maakt.

Serum
Vloeistof waaraan antistoffen zijn toegevoegd om actieve of passieve immuniteit te bereiken.

Witte bloedcellen
Kleurloze bloedcellen met kern. Ze spelen een belangrijke rol in het afweersysteem.

Cellulaire afweer
Tweede afweer: witte bloedlichaampjes (witte bloedcellen) kunnen ziekteverwekkers insluiten en uitschakelen.

COVID-19
Is een besmettelijke ziekte die wordt veroorzaakt door het coronavirus (SARS-CoV-2).
Het virus verspreidt zich via kleine vloeibare deeltjes die vrijkomen als een besmet persoon hoest, niest, praat, zingt of ademt.

Examenopgaven

Je hebt in deze module veel theorie bestudeerd en veel opdrachten gemaakt.
In de afsluiting ga je aan de slag met examenvragen over dit onderwerp. Lees eerst de tips.

Tips

 

Van de examenvragen kan de voortgang worden bijgehouden op ExamenKracht.
Vraag verdere instructies aan je docent.

Binnenkort vind je hier examenvragen van ExamenKracht om mee te oefenen.

Terugkijken

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Klopt het dat je de opdracht in 2 uur kon doen?
  • Inhoud
    Ben je zelf wel eens op reis geweest naar een land waarvoor je ingeënt moest worden? Tegen welke ziekten heb je toen prikken gekregen?
    Is iemand in je omgeving besmet geraakt met het coronavirus? Welke maatregelen heb je toen zelf genomen?
  • Examenopgaven
    Heel veel examenopgaven bij deze opdracht.
    Hoeveel heb je er gemaakt? Ging het goed?

Determineren

Determineren

Intro

In de onderbouw heb je kennis gemaakt met determineren. Weet je nog wat het is? Bespreek het met een klasgenoot.
Kijk daarna de video, controleer of jullie antwoord klopt. Ga daarna aan de slag met deze module.

Wat ga ik leren?

Na deze module kan ik:

  • het begrip determineren omschrijven.
  • met behulp van een determineertabel de Nederlandse naam opzoeken van een planten of diersoort.

 

Wat ga ik doen?

Aan de slag

Stap

Activiteit

Stap 1

Je bestudeert het Kennisbankitem dat past bij dit onderdeel en test je kennis.

Stap 2

Onderzoek het water in een sloot op de aanwezigheid van waterdiertjes.

Stap 3

Maak zelf een determinatietabel om je klasgenoten te kunnen determineren.

Afronding

Onderdeel

Activiteit

Begrippenlijst

Hier vind je de begrippenlijst bij deze module.

Examenopgaven

Je maakt een aantal examenopgaven die passen bij dit onderwerp.

Terugkijken

Terugkijken op de module.

 

Tijd
Voor deze opdracht heb je 1 à 2 lesuren nodig.

Aan de slag

Stap 1: Kennisbank

Bestudeer uit de Kennisbank biologie het onderdeel:

Test je kennis
Beantwoord de volgende vragen over de theorie in de Kennisbank.

Stap 2: Determineren van waterdiertjes

In het water van een sloot kun je veel dieren aantreffen.
Sommige dieren zie je met het blote oog en herken je direct, zoals de kikker.
Maar sommige dieren zijn zo klein dat je er een vergrootglas (loep) of microscoop bij nodig hebt om ze te zien. Als je een organisme niet kent, moet je deze determineren.

Waterdiertjes determineren

  • Download het werkblad waterdiertjes determineren.
    Maak een kopie van het werkblad in je eigen omgeving (Bestand - Een kopie maken...)
    of download het werkblad (Bestand - Downloaden als).
  • Lees de werkblad een keer helemaal door.
  • Zoek de benodigdheden bij elkaar.
  • Volg de werkwijze zoals beschreven.
  • Zoek met behulp van de determineerkaarten de namen van de dieren op.
  • Vul de tabel in.
  • Laat het verslag vervolgens beoordelen door jullie docent.

Stap 3: Determineertabel

Een determineertabel van klasgenoten

De meeste docenten zijn niet heel erg goed in het onthouden van namen van de leerlingen.
Hoe handig zou het dus voor docenten zijn dat er een determineersleutel zou zijn voor de klas!
Met een paar simpele vragen kan de docent achter de naam van elke leerling komen.

Je gaat samen met een klasgenoot zelf zo’n determineertabel maken van alle leerlingen uit jouw klas.
Om een determineertabel te maken moet je goed kijken naar objectieve kenmerken van je klasgenoten.
Objectieve kenmerken zijn kenmerken die vast staan en dus niet een eigen persoonlijke mening zijn, zoals aardig of dom.

Bekijk je klasgenoten eens goed en bedenkt de eerste vraag van je determineertabel.
Je moet bij de eerste vraag op zoek gaan naar een eigenschap die ongeveer de helft van je klasgenoten wél heeft, en de andere helft niet.
Bijvoorbeeld: “Heeft de leerling blauwe ogen?” Of: “Draagt de leerling een bril?”
Ook bij vraag twee ga je op zoek naar een eigenschap die ongeveer de helft van de overgebleven groep wél heeft en de andere helft van de overgebleven groep niet heeft.
Zo ga je door tot je elke klasgenoot hebt gehad!

Klaar? Test of je determineertabel werkt door iemand in de klas te halen die geen enkele naam kent.
Een docent, of een leerling uit een andere klas bijvoorbeeld.
Komt hij met behulp van jouw tabel achter de naam van je klasgenoot?
Bekijk ook eens hoe andere groepjes hun tabel hebben gemaakt.
Is deze heel anders dan jouw tabel?

Afronding

Begrippenlijst

Hier vind je de begrippenlijst die hoort bij deze opdracht.

Determineren
Het bepalen van de soortnaam.

Rijken
Eerste verdelingsorde van het ordeningssysteem van organismen. Rijken zijn onderverdeeld in hoofdafdelingen.

Hoofdafdeling
Tweede verdelingsorde in het ordeningssysteem van organismen. Hoofdafdelingen zijn verdeeld in klassen.

Klassen
Derde verdelingsorde in het ordeningssysteem van organismen. Klassen zijn verdeeld in orden.

Orden
Vierde verdelingsorde in het ordeningssysteem van organismen. Orden zijn onderverdeeld in families.

Families
Vijfde verdelingsorde in het ordeningssysteem van organismen. Families zijn onderverdeeld in geslachten.

Geslachten
Zesde verdelingsorde in het ordeningssysteem van organismen. Geslachten zijn onderverdeeld in soorten.

Soorten
Groepen organismen die zich binnen één groep (= een soort) geslachtelijk kunnen voortplanten en dan vruchtbare nakomelingen krijgen. Dat betekent dat de nakomelingen ook weer nakomelingen kunnen krijgen.

Determinatiesleutel
Een vragenformulier dat leidt naar de naam van soort.

Examenopgaven

Je hebt in deze module veel theorie bestudeerd en veel opdrachten gemaakt.
In de afsluiting ga je aan de slag met examenvragen over dit onderwerp. Lees eerst de tips.

Tips

 

Van de examenvragen kan de voortgang worden bijgehouden op ExamenKracht.
Vraag verdere instructies aan je docent.

Binnenkort vind je hier examenvragen van ExamenKracht om mee te oefenen.

 

Terugkijken

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je ongeveer 2 uur met de module bezig zou zijn.
    Klopt dat?
  • Inhoud
    Was de inhoud van de opdracht nieuw voor je of wist je het meeste al?
    Schrijf op wat nieuw voor je was.
  • Examenopgaven
    Heb je de examenopgaven gemaakt? Ging het goed?

Afsluiting

Samenvattend

Hier vind je de Kennisbankitems bij dit thema.

Examenvragen

Je hebt in de modules veel theorie bestudeerd en veel vragen beantwoord en opdrachten gemaakt.
Als het goed is, ben je nu klaar voor het beantwoorden van een aantal examenvragen over dit onderwerp. Lees eerst de tips.

Wil je meer oefenen? Kijk op Examenkracht.nl

Terugkijken

Intro

  • Lees de intro van dit thema nog eens door.
    Vind je het een goede intro om de opdracht mee te beginnen?
    Past de video goed bij het thema? Waarom wel of waarom niet?

Kan ik wat ik moet kunnen?

  • Lees de leerdoelen van deze opdracht nog eens door.
    Kun je wat je moet kunnen?

Hoe ging het?

  • Tijd
    Bij de activiteiten stond dat je in het totaal 20 à 21 uur met dit thema bezig zou zijn.
    Ben je meer of minder tijd met het thema bezig geweest?
    Met welke module ben je het langst bezig geweest? En met welke het kortst?
  • Herhaling
    Heb je voor je aan de modules begon de herhalingsmodules doorgeklikt?
    Wist je het meeste nog?
  • Inhoud
    Het thema bestaat uit zeven modules. Welke module vond je het leukst om te doen?
    En welke vond je het minst leuk? Schrijf op waarom je deze opdracht niet zo leuk vond.
  • Examenvragen
    Je hebt de examenvragen Waddenzee gemaakt.
    Ging het goed? Had je de theorie uit de modules nodig om de vragen te kunnen maken?
  • Het arrangement Thema: Waddenzee vmbo-kgt34 is gemaakt met Wikiwijs van Kennisnet. Wikiwijs is hét onderwijsplatform waar je leermiddelen zoekt, maakt en deelt.

    Auteur
    VO-content
    Laatst gewijzigd
    06-11-2025 21:47:22
    Licentie

    Dit lesmateriaal is gepubliceerd onder de Creative Commons Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 Internationale licentie. Dit houdt in dat je onder de voorwaarde van naamsvermelding en publicatie onder dezelfde licentie vrij bent om:

    • het werk te delen - te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of bestandsformaat
    • het werk te bewerken - te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
    • voor alle doeleinden, inclusief commerciële doeleinden.

    Meer informatie over de CC Naamsvermelding-GelijkDelen 4.0 Internationale licentie.

    Het thema 'Waddenzee' is ontwikkeld door auteurs en medewerkers van StudioVO. Fair Use In de Stercollecties van StudioVO wordt gebruik gemaakt van beeld- en filmmateriaal dat beschikbaar is op internet. Bij het gebruik zijn we uitgegaan van fair use. Meer informatie: Fair use Mocht u vragen/opmerkingen hebben, neem dan contact op via de helpdesk VO-content.

    Aanvullende informatie over dit lesmateriaal

    Van dit lesmateriaal is de volgende aanvullende informatie beschikbaar:

    Toelichting
    Dit thema valt onder de arrangeerbare leerlijn van de Stercollecties voor biologie voor vmbo kgt leerjaar 3. Dit thema heet zwangere waddenzee en behandelt 7 onderwerpen. Het eerste onderwerp is man en vrouw. Je kunt met behulp van voorbeelden duidelijk maken wat het verschil is tussen primaire- en secundaire geslachtskenmerken, de onderdelen van het mannelijke geslachtsorgaan benoemen en de functie(s) van de onderdelen beschrijven, de onderdelen van het vrouwelijke geslachtsorgaan benoemen en de functie(s) van de onderdelen beschrijven, een voorbeeld geven van een geslachtshormoon en aangeven waar dit hormoon aangemaakt wordt. Het tweede onderwerp is menstruatiecyclus. Je kunt het begrip menstruatiecyclus omschrijven, de 'weg van de eicel' tijdens de menstruatiecyclus beschrijven, beschrijven hoe het baarmoederslijmvlies verandert tijdens de menstruatiecyclus. Het derde onderwerp is bevruchting bij mensen. Je leert omschrijven wat een bevruchting is en aangeven waar de bevruchting van een eicel door een zaadcel plaatsvindt en waar de eventuele innesteling plaatsvindt. Je leert de werking van een zwangerschapstest beschrijven en uitleggen wat het verschil is tussen een eeneiige tweeling en een twee-eiige tweeling. Ook kun je twee vormen van onvruchtbaarheid bij mannen en vrouwen beschrijven. Het vierde onderwerp is zwangerschap. Je leert beschrijven hoe het embryo zich ontwikkelt tijdens de zwangerschap, hoe de foetus in de baarmoeder aan voedingsstoffen en zuurstof komt, drie stadia tijdens de geboorte omschrijven en twee voorbeelden beschrijven van prenatale diagnostiek. Het vijfde onderwerp is antigenen en antistoffen. Je leert de begrippen antigen en antistof omschrijven, beschrijven hoe een infectie met een virus verloopt, met behulp van een voorbeeld uitleggen wat het afweersysteem doet, met behulp van een voorbeeld duidelijk maken dat ziektes van dier naar mens overdraagbaar zijn. En je leert een voorbeeld van een infectie noemen die bestreden kan worden met antibiotica. Het zesde onderwerp is inenten. Je kunt uitleggen wat het verschil is tussen actieve en passieve immunisatie, omschrijven wat een serum is, met behulp van een voorbeeld duidelijk maken dat ook dieren gevaccineerd worden, omschrijven hoe een vaccin wordt gemaakt en uitleggen waarom vaccineren tegen corona belangrijk is. Het zevende onderwerp is determineren. Je leert het begrip determineren omschrijven en met behulp van een determineertabel de Nederlandse naam opzoeken van een planten of diersoort.
    Leerniveau
    VMBO gemengde leerweg, 3; VMBO theoretische leerweg, 4; VMBO theoretische leerweg, 3; VMBO kaderberoepsgerichte leerweg, 4; VMBO gemengde leerweg, 4; VMBO kaderberoepsgerichte leerweg, 3;
    Leerinhoud en doelen
    Dynamisch evenwicht; Biologie; Instandhouding en ontwikkeling;
    Eindgebruiker
    leerling/student
    Moeilijkheidsgraad
    gemiddeld
    Studiebelasting
    17 uur 0 minuten
    Trefwoorden
    afweer, arrangeerbaar, bevruchting, biologie, determineren, menstruatiecyclus, stercollectie, vaccineren, vmbo kgt3, zwangerschap

    Gebruikte Wikiwijs Arrangementen

    VO-content Biologie. (2015).

    Antigenen en antistoffen vmbo-kgt34

    https://maken.wikiwijs.nl/63375/Antigenen_en_antistoffen__vmbo_kgt34

    VO-content Biologie. (2015).

    Bevruchting bij mensen vmbo-kgt34

    https://maken.wikiwijs.nl/63365/Bevruchting_bij_mensen__vmbo_kgt34

    VO-content Biologie. (2015).

    Determineren vmbo-kgt34

    https://maken.wikiwijs.nl/63318/Determineren__vmbo_kgt34

    VO-content Biologie. (2015).

    Inenten vmbo-kgt34

    https://maken.wikiwijs.nl/63376/Inenten__vmbo_kgt34

    VO-content Biologie. (2015).

    Man en vrouw vmbo-kgt34

    https://maken.wikiwijs.nl/63362/Man_en_vrouw__vmbo_kgt34

    VO-content Biologie. (2015).

    Menstruatiecyclus vmbo-kgt34

    https://maken.wikiwijs.nl/63364/Menstruatiecyclus__vmbo_kgt34

    VO-content Biologie. (2015).

    Zwangerschap vmbo-kgt34

    https://maken.wikiwijs.nl/63366/Zwangerschap__vmbo_kgt34

  • Downloaden

    Het volledige arrangement is in de onderstaande formaten te downloaden.

    Metadata

    LTI

    Leeromgevingen die gebruik maken van LTI kunnen Wikiwijs arrangementen en toetsen afspelen en resultaten terugkoppelen. Hiervoor moet de leeromgeving wel bij Wikiwijs aangemeld zijn. Wil je gebruik maken van de LTI koppeling? Meld je aan via info@wikiwijs.nl met het verzoek om een LTI koppeling aan te gaan.

    Maak je al gebruik van LTI? Gebruik dan de onderstaande Launch URL’s.

    Arrangement

    Oefeningen en toetsen

    Waddenzee

    IMSCC package

    Wil je de Launch URL’s niet los kopiëren, maar in één keer downloaden? Download dan de IMSCC package.

    QTI

    Oefeningen en toetsen van dit arrangement kun je ook downloaden als QTI. Dit bestaat uit een ZIP bestand dat alle informatie bevat over de specifieke oefening of toets; volgorde van de vragen, afbeeldingen, te behalen punten, etc. Omgevingen met een QTI player kunnen QTI afspelen.

    Versie 2.1 (NL)

    Versie 3.0 bèta

    Voor developers

    Wikiwijs lesmateriaal kan worden gebruikt in een externe leeromgeving. Er kunnen koppelingen worden gemaakt en het lesmateriaal kan op verschillende manieren worden geëxporteerd. Meer informatie hierover kun je vinden op onze Developers Wiki.