Tekenen l

Tekenen l

Doel

In het hoveniersvak worden tekeningen gemaakt om de ideeën van de ontwerper te communiceren naar de klant en de uitvoerenden. Een tekening kan zowel digitaal als met de hand worden gemaakt.

Dit arrangement leert je de juiste materialen te kiezen voor een handgemaakte tekening.

1. Tekenmaterialen en tekenruimte

1. Tekengereedschap

Voor het maken van een tekening zijn allerlei materialen te koop. Loop maar eens een kantoor-boekhandel binnen.

Voor de lessen tuintekenen heb je minimaal nodig:

Produktinformatie

Potloden

Potloodstifthouders zijn makkelijker in het gebruik dan gewone potloden. Stifthouders leveren namelijk een constante dikte en je hoeft ze nooit te slijpen. Kijk bij aanschaf altijd naar de juiste dikte en hardheid.

Voor het tekenen op transparant papier is nodig een stiftdikte van 0.2-0.5 mm, met hardheid H of HB.

Voor schetsen op gewoon papier kun je een dikkere pen (0.9 mm) van een zachtere soort gebruiken (B). Dit tekent minder nauwkeurig maar is makkelijker uit te gummen.

Tekenpennen

Aan de inkt van de pennen worden hoge eisen gesteld.

- snel drogend, maar niet te snel

- goed zwart, ook na kopiëren

- gelijkblijvende viscositeit onder alle omstandigheden

- watervast

Op school wordt  gebruik gemaakt van fineliners in verschillende diktes.

Kleurmaterialen

Stiften: op alcohol- en waterbasis. Alcoholstiften zijn waterproof, maar belasten het milieu meer. Het aantal kleuren is groot.

Kleurpotloden: met kleurstift, deze geeft lichte kleuren waarbij je snel het gevaar loopt te 'krassen', vooral bij blauwe tinten.

Krijt: er zijn ook kleurpotloden met een krijtstift. Het krijt kun je na opbrengen met je vinger of een watje verdoezelen, waarmee je een mooi egaal effect krijgt. Hetzelfde effect krijg je met pastelkrijt (géén oliepastel!)

Driehoek, cirkelsjabloon en liniaal : deze moeten een inktrand en/of dopjes heben die de kans op inktvlekken verminderen. Je kunt er ook een stukje tape onder plakken.

Passer: een passer moet een verwisselbare houder hebben, waarin je ook een tekenstift kunt plaatsen.

 

 

2. De tekenruimte

De ideale werkplek ziet er zo uit:

- Rustig, zodat je ongestoord kunt werken

- Juist klimaat, constante temperatuur en luchtvochtigheid, omdat anders het tekenpapier gaat bobbelen.

- Goede verlichting, niet spiegelend en geen armschaduw over je eigen werk.

- Tekenmaterialen onder handbereik

- Een tekentafel met haak, of tekenbord (van glad kunststof, 70x100 cm, A1 formaat)

- Een tafel om tekeningen neer te leggen

- Een schrijfbureau met in hoogte verstelbare stoel

 

 

 

3. Tekeningdragers

De tekeningdrager is het materiaal waarop je tekent. Dat kan gewoon wit papier zijn, maar ook transparant papier.

Transparant papier is handig omdat je een millimeterverdeling onder je tekening kunt leggen, die het loodrecht tekenen en het meten makkelijker maakt. Er is trouwens ook doorzichtig milimeterpapier te koop, wat handig is bij het opmeten van bijvoorbeeld getekende, onregelmatige plantvakken.

Voor een brainstormen en voor-ontwerpen gebruik je schetspapier op de rol, voor een definitieve tekening het dure calque papier. Calque papier is te krijgen in verschillende gewichten en maten. Hoe zwaarder het papier, hoe duurder.

Papierformaten:

 

Een A0 heeft een oppervlak van 1m2. Elk volgend formaat is telkens de helft van de voorgaande. Deze maten zijn vastgelegd door het NEN en internationaal gebruikelijk.

2. Het maken van een basistekening

1. Het bepalen van het formaat van je tekening

Welk formaat papier je kiest hangt o.a. af van

  • De keuze van de schaal, dat is de verhouding tot de werkelijkheid. Bij een schaal van 1:1 is de tekening even groot als de werkelijkheid. Schaal 1:100 betekent dat 0.01 m op de tekening 1 m in werkelijkheid is. Voor detaillering wordt schaal 1:5, 1:10, 1:20  gebruikt, voor overzichten 1:50, 1:100, 1:200, 1:500, 1:1000, 1:2000, 1:5000 en 1:10000
  • De grootte van het object. Kies de schaal zo dat het object duidelijk getekend kan worden. Op alle papierformatien wordt gewoonlijk in de breedte getekend, behalve op A4 formaat die veel als lengtemaat wordt gebruikt.
  • Ruimte voor details, foto's en legenda. Bepaal van te voren wat je naast de tekening wilt laten zien.
  • Het gebruik. Bedenk van te voren of je je tekening wilt kopiëren en het kopieerapparaat het dit formaat aankan.

 

 

2. Het opspannen van de tekeningdrager

Voordat je begint met tekenen, was je eerst je handen met zeep. Doe je dit niet dan maken je handen het papier vettig of vies, waardoor de inkt of het potlood moeilijk hecht en de tekening er slordig uit zal gaan zien.

Als je een tekenbord gebruikt zorg dan dat je tekenarm tijdens het tekenen kan steunen op het bord. Het opspannen van het papier doe je diagonaal, eerst één hoek vastplakken met crêpe tape en vervolgens de tegenoverstaande hoek. Het tekenpapier moet glad en recht op het tekenbord bevestigd worden. De foto hiernaast geeft aan wat er gebeurt als je het papier niet opspant.

 Als je gebruik maakt van millimeterpapier, bevestig je dit eerst en daaroverheen het transparante tekenpapier.

 

 

3. Het kiezen van de juiste lijndikte

De keuze van de lijndikte hangt onder meer af van:

  • het formaat van de tekening
  • de schaal van de tekening
  • het aan te brengen onderscheid op de tekening
  • mogelijke verkleining of vergroting

Als je verschillen in lijndiktes wilt toepassen gebruik dan tenminste voor een verhouding 2:1.

Welke lijndikte je kiest is meestal een kwestie van routine, ervaring of gevoel. Lijnen moeten zwaarder getekend worden als de schaal groter wordt. De verdikking van de lijnen is bij lange na niet evenredig met de vergroting van de schaal. Want een lijndikte van 0.18 in een tekening van 1:1000 wordt bij 10x vergroten naar 1:100 maar 2x zo dik nl 0.36 cm, en niet 10x0.18=1.80 cm.

Probeer de lijndiktes steeds op dezelfde manier te gebruiken, dus bijv. voor de kaderlijn gebruik je altijd lijndikte 1.0 en voor de details in dezelfde tekening 0.5.

De gebruikte lijndikte in een plattegrond zegt iets over de hoogte van het object. Hoe dikker de lijn, hoe hoger het object. Dus een boomkroon geef je met een dikkere lijn weer dan bijv. de vaste planten in dezelfde tuin.

Je kunt in plaats van doorgetrokken lijnen ook kiezen voor onderbroken lijnen - - - - - - - - -  of stippellijnen . . . . . . . . Geef in de legenda altijd aan wat de verschillende lijnen voorstellen.

 

 

 

 

4. Patronen

Er zijn verschillende soorten patronen om een tekening te verduidelijken, ze worden ook wel rasters genoemd. Het tekenen van deze patronen is veel werk, daarom worden patronen vaak maar gedeeltelijk ingetekend. In digitale onwerpen wordt veel meer gebruik gemaakt van patronen dan in handgemaakte tekeningen. Ook hier geldt weer: geef duidelijk in de legenda aan wat het gebruikte patroon betekent.

Hieronder zie je een aantal patronen voor verschillende soorten bestratingen.

5. Raderen

Het weghalen van een getekende lijn kun je als volgt doen:

  • op gewoon papier en schetspapier: gummen
  • op calque papier: raderen met een mesje. Je krabt met een (radeer)mesje de lijn voorzichtig weg.

6. Het tekenen van het kader

Een kader is de lijn die het gedeelte van het papier waarbinnen je tekent aangeeft. De lijndikte van een kader is dik in verhouding tot de rest van de gebruikte lijndiktes, bijv. 0.7 of 1.0.

Tussen kaderlijn en rand van het papier houd je voor A0 en A1 formaten tenminste 20 mm aan. Voor A2-, A3-,en A4- formaten houd je een breede van tenminste 10 mm aan.

7. De identificatiestrook

De identificatiestrook, ook wel stempel of onderhoek genoemd, zet je rechtsonder tegen de kaderlijn, zodat deze na het vouwen (op A4 formaat) zichtbaar is, zowel bij liggende als bij staande formaten. Houd deze strook uniform, zodat de basisgegevens makkelijk terug te vinden zijn. Op het bovenstaande voorbeeld zie je welke gegevens op een stempel moeten staan. Het (bedrijfs-)logo wordt vaak ook binnen het stempel afgebeeld.

8. Het overbrengen van meetgegevens op tekening

Met behulp van het veldwerk, bouw- en/of kaveltekening ga je de basistekening of ondergrond maken. Je moet in staat zijn gegevens te verzamelen en zodanig op papier te zetten, dat het object duidelijk is voor anderen, bijvoorbeeld de ontwerper. Toepassing van de juiste schaal is hierbij belangrijk.

Als de (bouw-)tekening waar je vanuit gaan, niet de juiste schaal heeft moet de tekening vergroot of verkleind worden. Dit kan op verschillende manieren:

  • Door het tekenen van hulplijnen. Ga uit van het belangrijkste element (bijv. het huis) en zet daar maten bij. Bij het maken van de tekening worden deze maten omgerekend naar de andere schaal. Bijvoorbeeld: als je uitgangstekening 1:100 is, vermenigvuldig je de maten met 2 voor schaal 1:50. Je kunt ook een schaallat gebruiken.
  • Door het tekenen van een ruitennet. Je maakt een ruitennet op het origineel en vergroot deze op de kopie. Dan neem je de tekening over waarbij je vooral let op de snijpunten met het ruitennet. Deze methode is vooral handig bij onregelmatige vormen.
  • Met een kopieerapparaat. Maar omdat een vergroting of verkleining met het kopieerapparaat meestal niet erg nauwkeurig is, moet je op het origineel een schaalbalk tekenen die ook op de kopie precies aangeeft wat de schaal is.

 

9. Het aanbrengen/tekenen van de noordpijl

Op elke tuintekening plaats je een noordpijl met de punt naar het noorden. De noordpijl is voor de oriëntatie van de ontwerper en de uitvoerder tjdens het werk. De juiste stand van de pijl staat op het veldwerk (de inventarisatiegegevens), de kadastrale tekening of een bouwkundige tekening. Neem het noorden hiervan over of gebruik Google Maps waarvan alle kaarten noordgericht zijn.

Let op dat een gekantelde N een Z lijkt, waardoor verwarring zou kunnen ontstaan.

 

3. Symbolen

1. Inleiding

Op een ontwerptekening worden symbolen gebruikt. Dit zijn tekens, waarvan we de betekenis hebben afgesproken. Sommige symbolen zijn vastgesteld volgens het NEN en kunnen niet zo maar veranderd worden. Bijvoorbeeld de aanduidingen op landschap- en tuintekeningen die gebruikt worden voor tekeningen op schaal 1:5000 t/m 1:2000.

Bij het tuintekenen worden elementen vrijer weergegeven. Je mag zelf symbolen verzinnen, maar belangrijk is dat de afbeelding herkenbaar blijft.

 

2. Het weergeven van dode materialen

Er zijn veel tuinobjecten die gemaakt zijn van dode materialen. Hoe je deze tekent hangt af van het doel van je tekening. Bijvoorbeeld, een schetsontwerp hoeft slechts aan te geven wáár de bestrating ligt, teken dan niet teveel naar de werkelijkheid; het gaat om de indruk en de hoofdrichtingen van het straatwerk. Een detailtekening echter moet het bestratingspatroon laten zien en dus op schaal zijn. Bij grote oppervlakken kun je ook alleen de randen aangeven.

Bestrating

Trappen

 

Talud

Water

 

 

 

3. Het weergeven van beplantingen

Ook bij beplanting gebruik je symbolen om duidelijk te maken wat er staat, of komt te staan. Deze symbolen zijn afgeleid van de werkelijkheid. Beplanting kun je op verschillende manieren aangeven. De keuze hangt af van het onderwerp en je eigen smaak.

We geven wel een paar tips:

  • Beperk het gebruik van verschillende boomvormen in één tekening, anders krijg je een rommelige tekening
  • Als iets (bijv. de lijn van een pad) niet zichtbaar is door een boomkroon of struik, teken je dit met een dun stippellijntje voor de duidelijkheid.
  • Bomen geef je in een tekening altijd weer met hun  kroonprojectie in volwassen stadium (eindbeeld).
  • Bij het tekenen van bomen en struiken kun je (voor de afwisseling) in het symbool ook laten zien wat de takvorm of verschijningsvorm is.
  • Maak de vlakvulling bij borders niet te druk. Geef ze het karakter van het object dat je wilt weergeven.

Hieronder een aantal gangbare symbolen voor verschillende beplantinsvormen:

Bomen/boomgroepen

4. 3D effecten

Er zijn een aantal manieren om in een platte tekening toch iets van een 3D-effect te bereiken. Gebruik bijvoorbeeld

  • grijstinten, hoog = donkergrijs, laag = lichtgrijs
  • contourlijnen, hoog = dikke lijnen, laag = dunne lijnen
  • schaduwvlakken, hoog = brede schaduwen, laag = smalle schaduwen

4. Teksten

Een voorlopige schets met gedrukte letters geeft de indruk dat het plan klaar is en niet meer bespreekbaar. Met de hand geschreven letters passen hier beter bij en geven je de mogelijkheid je eigen stijl te gebruiken. Maar ook bij een definitief ontwerp mag je teksten met de hand schrijven, mits dit geen afbreuk doet aan de netheid van de tekening.

Let er bij het gebruik van geschreven letters wel op dat je vooraf bedenkt welk lettertype en welke lettergrootte je gebruikt, en wees daar heel consequent in. Kies je bijv. voor het gebruik van hoofdletters, hou dit dan door de hele tekening vol. Dat geeft een rustig beeld. Ook wanneer je handschrift niet perfect is, is het effect toch regelmatig.

 

Nog een paar tips voor een regelmatig resultaat:

  • gebruik een vaste regelafstand
  • zet de voorkant van de regels onder elkaar
  • zet teksten zoveel mogelijk in een blok
  • leg een gelinieerd vel onder je transparantpapier

Wanneer je liever gedrukte teksten op je tekening zet kun je dit eenvoudig doen door teksten uit te printen via je computer, en letterlijk te knippen en te plakken op de plaats waar deze moet komen te staan. Gebruik voor het plakken scotch-tape of foto-lijm, zodat bij het kopiëren van de tekening niet meer zichtbaar is dat er is geknutseld. Het resultaat is verbluffend.

 

 

 

 

5. Kopiëren en vouwen

1. Het kopiëren van tekeningen

Wanneer je tekening klaar is, maak je hiervan een kopie voor de opdrachtgever en later ook voor de uitvoerenden.

Je houdt de originele tekening altijd in eigen bezit.

Een tekening kopieer je met een kopieerapparaat, of print je uit met een plotter. Wanneer je grotere formaten dan A4 of A3 wilt kopiëren, kun je terecht bij een printshop. Hou er rekening mee dat kleurkopieën prijzig zijn, vraag vooraf dus wat het kopiëren gaat kosten.

Met een kopieerapparaat kun je een tekening ook vergroten of verkleinen. Het percentage waarmee je wilt vergroten of verkleinen is nauwkeurig in te stellen. Bijvoorbeeld: een tekening met een schaal van 1:100 vergroot je 2x (vergrotingspercentage 200). De schaal van de vergrootte tekening is nu 1:50.

 

2. Het vouwen van tekeningen

Originele tekeningen vouw je niet, dit zou bij kopiëren storende lijnen opleveren. Deze tekeningen kunnen het best opgerold in een koker bewaard worden.

Voor het vouwen van een kopie zijn regels opgesteld door het NEN. Het principe is dat elke kopie zo wordt gevouwen dat het resultaat een A4 formaat is, en dat de identificatiestrook nog steeds voorop, rechtsonder zichtbaar is.

 

Opdrachten Tekenen 1

  • Het arrangement Tekenen l is gemaakt met Wikiwijs van Kennisnet. Wikiwijs is hét onderwijsplatform waar je leermiddelen zoekt, maakt en deelt.

    Auteurs
    Hannie Kwant
    Laatst gewijzigd
    06-09-2022 13:45:00
    Licentie

    Dit lesmateriaal is gepubliceerd onder de Creative Commons Naamsvermelding 3.0 Nederlands licentie. Dit houdt in dat je onder de voorwaarde van naamsvermelding vrij bent om:

    • het werk te delen - te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of bestandsformaat
    • het werk te bewerken - te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
    • voor alle doeleinden, inclusief commerciële doeleinden.

    Meer informatie over de CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie.

    Voor dit arrangement is gebruik gemaakt van 'Tekenen l' van de Secundaire opleiding Groenvoorziening, een uitgave van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in 1991.

    Aanvullende informatie over dit lesmateriaal

    Van dit lesmateriaal is de volgende aanvullende informatie beschikbaar:

    Toelichting
    Een inleiding in het maken van een tuinontwerptekening.
    Eindgebruiker
    leerling/student
    Moeilijkheidsgraad
    gemiddeld
  • Downloaden

    Het volledige arrangement is in de onderstaande formaten te downloaden.

    Metadata

    LTI

    Leeromgevingen die gebruik maken van LTI kunnen Wikiwijs arrangementen en toetsen afspelen en resultaten terugkoppelen. Hiervoor moet de leeromgeving wel bij Wikiwijs aangemeld zijn. Wil je gebruik maken van de LTI koppeling? Meld je aan via info@wikiwijs.nl met het verzoek om een LTI koppeling aan te gaan.

    Maak je al gebruik van LTI? Gebruik dan de onderstaande Launch URL’s.

    Arrangement

    IMSCC package

    Wil je de Launch URL’s niet los kopiëren, maar in één keer downloaden? Download dan de IMSCC package.

    Voor developers

    Wikiwijs lesmateriaal kan worden gebruikt in een externe leeromgeving. Er kunnen koppelingen worden gemaakt en het lesmateriaal kan op verschillende manieren worden geëxporteerd. Meer informatie hierover kun je vinden op onze Developers Wiki.