LE4 Anatomie van het bewegingsstelsel

LE4 Anatomie van het bewegingsstelsel

Inleiding

In deze WikiWijs gaan wij het hebben over de anatomie van het bewegingstelsel.

Wij gaan het hebben over:

  • Het skelet & de functies hier van.
  • De onderdelen van het skelet & de functies hier van.
  • De verschillende botten, botafbraak- en opbouw, de bouw van het bot en de functies van de verschillende botten.
  • Gewrichten, spieren en pezen & de functie hier van.

 

Syenna Koll, Ruby Peelen, Gwen van Holland, Marin Groen.

Het skelet + functies hiervan

We gaan het hebben over de functie's van het skelet,

 

 

Het centrale deel van het skelet wordt gevormd door:

- de schedel

- de borstkas

- de wervelkolom.

Een volwassen mens bestaat het uit ongeveer 206 botten.

Deze drie delen samen noem je de lichaams-as. De botten van de lichaams-as vormen een stevig omhulsel. Dat omhulsel beschermt de vitale en kwetsbare organen, zoals hersenen, ruggenmerg, hart en longen. De botten van de ledematen zitten vast aan de borstkas en de wervelkolom.

 

Het skelet heeft de volgende functies:

  • Ondersteuning. De botten bieden steun aan het hele lichaam.
  • Aanhechting. Het skelet vormt de aanhechtingsplaats voor de spieren.
  • Beweging. Botten kunnen ten opzichte van elkaar bewegen. Dat is mogelijk doordat ze via – meer of minder – beweeglijke gewrichten met elkaar verbonden zijn. De botten worden door de samentrekkingen van de spieren bewogen.
  • Bescherming. Met name de botten van de lichaams-as beschermen kwetsbare inwendige organen.
  • Vorming van bloedcellen. Bloedcellen worden in het rode beenmerg gevormd. Rood beenmerg zit in de inwendige holten van veel botten.
  • Opslag. Het skelet is een reservoir van mineralen, met name van calcium (kalk) en fosfaat.

 

Foto van het skelet

 
 

Ruby Peelen

uitleg van het skelet

De verschillende onderdelen van het skelet + functies hiervan

kopie 1 - kopie 1 - schedel

Hersenschedel

De hersenschedel (cranium cerebrale) vormt de benige omhulling van de hersenen en de hersenstam. Het bovenste deel, dat je aan de buitenkant kunt voelen, heet het schedeldak, terwijl de schedelbasis de onderzijde vormt waarop de hersenen rusten.

De hersenschedel bestaat uit acht botstukken:

  • het voorhoofdsbeen;
  • twee wandbeenderen;
  • twee slaapbeenderen;
  • het achterhoofdsbeen;
  • het zeefbeen;
  • het wiggenbeen.

 

voorhoofdsbeen (os frontale)

Het voorhoofdsbeen is een groot, gebogen bot dat de voorkant van de schedel vormt. Het maakt het voorhoofd, het bovenste deel van de oogkassen en een deel van het schedeldak. In dit bot bevinden zich de linker en rechter voorhoofdsholte (sinus frontalis).

Wandbeen (os parietale)

Aan weerszijden van het schedeldak ligt een wandbeen. Samen vormen deze de grootste oppervlakte van de hersenschedel.

Slaapbeen (os temporale)

Onder de wandbeenderen, aan de zijkant van de schedel, ligt het slaapbeen. Dit bot maakt deel uit van de schedelbasis en bevat de opening van de uitwendige gehoorgang.
In het verdikte deel, het rotsbeen (os petrosum), ligt het binnenoor.
Een opvallende structuur is de jukboog (arcus zygomaticus), die naar voren uitsteekt en verbinding maakt met het jukbeen van de aangezichtsschedel.
Aan de onderzijde bevinden zich twee uitsteeksels:

  • de mastoïd, een knobbel achter het oor waaraan halsspieren hechten;
  • de processus styloideus, een dun uitsteeksel dat via banden en spieren in verbinding staat met het tongbeen en de keel.

Achterhoofdsbeen (os occipitale)

Het achterhoofdsbeen vormt de achterkant van het schedeldak. In dit bot ligt het achterhoofdsgat (foramen magnum), waar het ruggenmerg de schedel binnengaat. Naast dit gat bevinden zich de achterhoofdsknobbels, die de verbinding vormen met de eerste nekwervel.

Zeefbeen (os ethmoidale)

Het zeefbeen ligt aan de voorzijde van de schedelbasis. Het bevat veel kleine openingen waardoor reukzenuwen passeren. Onderaan vormt het bot een deel van het neustussenschot en de neusschelpen. In dit bot bevindt zich de zeefbeenholte (sinus ethmoidalis), een bijholte met een fijn vertakt netwerk.

Wiggenbeen (os sphenoidale)

Het wiggenbeen ligt centraal in de schedelbasis en heeft een vlindervorm. In het midden bevindt zich een verdieping, het Turkse zadel (sella turcica), waarin de hypofyse ligt. Ook dit bot bevat een bijholte: de wiggenbeenholte (sinus sphenoidalis).

De aangezichtsschedel (cranium viscerale) ondersteunt en beschermt de toegang tot de ademhalings- en spijsverteringswegen. Bovendien hechten hier de spieren van het gezicht en de kaken aan.

De aangezichtsschedel bestaat uit de volgende botten:

  • twee neusbeenderen;
  • twee traanbeenderen;
  • twee jukbeenderen;
  • het ploegschaarbeen;
  • de bovenkaak;
  • de onderkaak;
  • het tongbeen.

Neusbeen (os nasale)

De neusbeenderen liggen direct onder het voorhoofdsbeen en vormen samen het harde, bovenste deel van de neusrug.

Traanbeen (os lacrimale)

Het traanbeen is een klein, dun bot aan de binnenzijde van de oogkas. Het bevat een verticale doorgang voor de traanbuis, die traanvocht naar de neusholte afvoert.

Jukbeen (os zygomaticum)

Het jukbeen vormt de buitenrand van de oogkas en maakt verbinding met de jukboog van het slaapbeen. Het bepaalt voor een groot deel de vorm van de wang.

Ploegschaarbeen (os vomer)

Het ploegschaarbeen is een plat bot dat het onderste deel van het neustussenschot vormt en de neusholte in tweeën verdeelt.

Bovenkaak (maxilla)

De bovenkaak ligt aan beide zijden van de neusbeenderen en staat in verbinding met het voorhoofdsbeen. De hoefijzervormige richel aan de onderzijde bevat de tanden en kiezen van het bovengebit.
Het harde gehemelte (palatum durum), onderdeel van de bovenkaak, scheidt de neusholte van de mondholte. Aan weerszijden bevinden zich de bovenkaakholten (sinus maxillaris), de grootste van de neusbijholten.

Onderkaak (mandibula)

De onderkaak is het enige beweegbare bot van de schedel. Het draagt de gebitselementen van het ondergebit en eindigt achteraan met twee knobbels die samen het kaakgewricht vormen.

Tongbeen (os hyoideum)

Het tongbeen is een klein, U-vormig bot in de hals dat niet direct met andere botten is verbonden. Het wordt op zijn plaats gehouden door spieren die eruitzien als gespannen teugels en dient als aanhechtingspunt voor spieren van de tong en de keel.

Wervels

De wervelkolom bestaat uit 33 tot soms 34 afzonderlijke wervels (vertebrae). Deze worden ingedeeld in verschillende groepen, van boven naar beneden:

  • 7 halswervels – aangeduid als C1 t/m C7
  • 12 borstwervels – aangeduid als Th1 t/m Th12
  • 5 lendenwervels – aangeduid als L1 t/m L5
  • 5 heiligbeenwervels – samengegroeid tot het heiligbeen (S1 t/m S5)
  • 4 of 5 staartbeenwervels – samengegroeid tot het staartbeen

De hals-, borst- en lendenwervels zijn onderling beweeglijk en met elkaar verbonden via kleine wervelgewrichten. Algemene bouw van een wervel

Elke wervel bestaat uit twee hoofdonderdelen:

  • een wervellichaam (aan de voorzijde);
  • een wervelboog (aan de achterzijde).

Aan de wervelboog bevinden zich verschillende uitsteeksels. Sommige bieden aanhechting voor spieren, andere vormen een deel van de gewrichten tussen opeenvolgende wervels.

Tussen het wervellichaam en de wervelboog bevindt zich het wervelgat (foramen vertebrale). Alle wervelgaten samen vormen het wervelkanaal, waarin het ruggenmerg veilig ligt opgeborgen.

Tussen twee wervellichamen ligt steeds een tussenwervelschijf (discus intervertebralis). Deze bestaat uit een stevige, vezelige ring van kraakbeen met in het midden een zachte, gelachtige kern.
De tussenwervelschijf werkt als schokdemper: ze vangt druk op bij bewegingen zoals lopen, springen en zitten. Dankzij deze schijven en de kleine gewrichten tussen de wervels is de wervelkolom flexibel en licht buigzaam. 
Specifieke bouw van wervels

De vorm en sterkte van de wervels verschillen per deel van de wervelkolom. Over het algemeen geldt:

  • hoe lager in de wervelkolom, hoe groter en steviger de wervellichamen;
  • hoe hoger, hoe groter het wervelgat, omdat het ruggenmerg daar dikker is.

Halswervels (vertebrae cervicales)

De zeven halswervels zijn klein en licht gebouwd.
De eerste halswervel heet de atlas. Deze ringvormige wervel heeft geen wervellichaam. Aan de bovenkant bevinden zich twee gewrichtsvlakken die aansluiten op de achterhoofdsknobbels van de schedel, waardoor het hoofd op en neer kan bewegen (ja-knikken).

De tweede halswervel, de draaier (axis), heeft een opvallend omhoogstekend deel: de dens (tand). Deze past in de opening van de atlas en maakt het mogelijk om het hoofd te draaien (nee-schudden).

Aan beide zijden van het wervellichaam bevindt zich een opening waar een wervelslagader en wervelader doorheen lopen.

Borstwervels (vertebrae thoracales)

De twaalf borstwervels zijn groter dan de halswervels. Aan elke borstwervel zijn aan weerszijden ribben bevestigd via kleine gewrichtjes. Hierdoor vormen ze samen met het borstbeen de borstkas.

Lendenwervels (vertebrae lumbales)

De vijf lendenwervels zijn het zwaarst gebouwd. Ze hebben grote wervellichamen, omdat ze het grootste deel van het lichaamsgewicht dragen. Hun stevige bouw zorgt voor stabiliteit, maar toch blijft er enige beweeglijkheid behouden.

Heiligbeenwervels (vertebrae sacrales)

De vijf heiligbeenwervels zijn met elkaar vergroeid tot het heiligbeen (os sacrum), een wigvormig bot aan de onderzijde van de wervelkolom.
In het heiligbeen lopen vier paren zenuwopeningen, waaruit ruggenmergzenuwen treden. Aan weerszijden bevindt zich een groot gewrichtsvlak dat verbinding maakt met het heupbeen. Omdat de wervels hier vergroeid zijn, is er geen beweging mogelijk – dit zorgt voor extra stevigheid van de romp.

Staartbeenwervels (vertebrae coccygeae)

De onderste vier, soms vijf, wervels zijn vergroeid tot het staartbeen (os coccygis). Ze zijn nauwelijks nog als afzonderlijke wervels herkenbaar. Het staartbeen vormt het uiteinde van het wervelkanaal en biedt aanhechtingsplaatsen voor kleine spieren en banden van de bekkenbodem.
Beweging is hier vrijwel niet mogelijk.

Ribben

Er zijn twaalf paar ribben (costae). Het zijn platte, smalle en gebogen botten. Ze zitten met kleine gewrichtjes aan de borstwervels vast. Deze gewrichtjes maken opwaartse en neerwaartse bewegingen van de ribben mogelijk.De bovenste zeven paar ribben worden ware ribben genoemd. Zij zitten aan de voorkant aan het borstbeen vast door middel van een eigen kraakbeenverbinding. De volgende drie paar ribben zijn valse ribben. Deze zijn met een gemeenschappelijk kraakbeenstuk verbonden met de onderste ware rib. Helemaal onderaan zitten twee paar zwevende ribben. Ze zijn vrij kort en hebben geen verbinding met het borstbeen.

Arm

Het skelet van de arm (brachium) bestaat uit drie lange pijpbeenderen:

  • Opperarmbeen (humerus)
  • Spaakbeen (radius)
  • Ellepijp (ulna)

Opperarmbeen

Het opperarmbeen ligt in de bovenarm en is een lang pijpbeen dat de arm een grote reikwijdte geeft. Het is verbonden met de schouder via een kogelgewricht. Dit gewricht heeft een vrij ondiepe kom, waardoor de arm veel bewegingsvrijheid heeft. Sterke gewrichtsbanden houden de kop van het opperarmbeen stevig op zijn plaats.

Ellepijp en spaakbeen

In de onderarm liggen de ellepijp en het spaakbeen. Samen met het opperarmbeen vormen ze het ellebooggewricht, dat bestaat uit een scharnier- en een rolgewricht.

  • Het haakvormige uitsteeksel van de ellepijp vormt een scharniergewricht met het opperarmbeen, waardoor de arm kan buigen en strekken. Dit uitsteeksel is aan de achterkant van de arm voelbaar.
  • Door het rolgewricht draait het spaakbeen over de ellepijp, wat het mogelijk maakt de hand te draaien.
  • Tussen spaakbeen en ellepijp bevindt zich een stevige, platte bindweefselverbinding, die vooral dienstdoet als aanhechtingsplaats voor spieren.

Het uiteinde van het spaakbeen aan de polszijde is breed, plat en komvormig. Dit vormt grotendeels de kom voor het polsgewricht, een ellipsvormig gewricht.

Hand

De hand (manus) bestaat uit 27 botten, verdeeld in drie groepen:

  • 8 handwortelbeentjes (carpalia)
  • 5 middenhandsbeentjes (metacarpalia)
  • 14 vingerkootjes (phalanges)

Handwortelbeentjes

De handwortelbeentjes vormen twee rijen van vier botjes. Ze zijn onderling verbonden via kleine vlakgewrichten. Drie van de handwortelbeentjes aan de polszijde vormen de kom van het polsgewricht.

Middenhandsbeentjes

De middenhandsbeentjes zijn kleine pijpbeenderen die samen de handpalm vormen. Ze zijn verbonden met de buitenste rij handwortelbeentjes via scharniergewrichten.
Tussen het middenhandsbeentje van de duim en de handwortel zit een zadelgewricht, waardoor de duim onafhankelijk kan bewegen en tegenover de andere vingers kan worden geplaatst.

Vingerkootjes

  • De duim heeft twee vingerkootjes.
  • De andere vingers hebben elk drie vingerkootjes.

De vingerkootjes zijn verbonden via scharniergewrichten, zowel onderling als met de middenhandsbeentjes, waardoor buigen en strekken van de vingers mogelijk is.

Been

Het been heeft twee belangrijke functies: het draagt het lichaam (steunfunctie) en maakt voortbeweging mogelijk (loopfunctie).
De beenderen van het been zijn stevig, lang en zodanig gevormd dat ze kracht en stabiliteit bieden, terwijl de gewrichten voldoende beweeglijk blijven om te lopen, springen en rennen.

Het been bestaat uit de volgende botten:

  • dijbeen (femur)
  • knieschijf (patella)
  • scheenbeen (tibia)
  • kuitbeen (fibula)

Dijbeen

Het dijbeen is het langste en sterkste pijpbeen van het menselijk lichaam.
De bovenkant van het dijbeen heeft een ronde kop, die met het heupbeen een kogelgewricht vormt. Hierdoor is een grote beweeglijkheid van het been mogelijk. Het gewricht wordt verstevigd door sterke gewrichtsbanden.

Tussen de kop en de schacht bevindt zich de dijbeenhals (collum femoris), die onder een hoek van ongeveer 125° met de schacht staat. Door deze schuine stand moet het dijbeen veel verticale krachten opvangen, waardoor het een kwetsbaar punt is.
Aan de onderzijde is het dijbeen verbreed en vormt het de gewrichtsvlakken van het kniegewricht.

Kniegewricht

Het kniegewricht is een complex scharniergewricht dat buigen, strekken en beperkte draaibewegingen van het onderbeen mogelijk maakt.
Het gewricht bestaat uit drie botten:

  • het dijbeen,
  • de knieschijf,
  • en het scheenbeen.

knieschijf (patella)

Aan de voorzijde ligt de knieschijf (patella), die in de kniepees is ingebed. De voorzijde van de knieschijf bestaat uit bot, terwijl de achterzijde met hyalien kraakbeen is bekleed.
De knieschijf beschermt de knie tegen wrijving en beschadiging en versterkt de werking van de bovenbeenspieren.
Binnen in het gewricht liggen twee stevige kruisbanden, die voorkomen dat het onderbeen te ver naar voren of naar achteren schuift.

Scheenbeen en kuitbeen

Het scheenbeen (tibia) en het kuitbeen (fibula) vormen samen het onderbeen.
Het scheenbeen ligt aan de voorzijde en is over bijna de hele lengte onder de huid te voelen. De bovenkant vormt de kom van het kniegewricht, terwijl de onderkant onderdeel is van het enkelgewricht.

Achter het scheenbeen ligt het slankere kuitbeen. Dit bot maakt geen deel uit van het kniegewricht en heeft weinig draagfunctie.
De onderzijde van het kuitbeen vormt echter wél een gewrichtsvlak van de enkel.
Tussen het scheen- en kuitbeen bevindt zich een stevige bindweefselplaat, die dient als aanhechtingsplaats voor spieren.

voet

De voet (pes) bestaat, net als de hand, uit een groot aantal kleine botjes die samen zorgen voor stabiliteit, veerkracht en beweeglijkheid.
In totaal bevat de voet 26 botten, verdeeld in:

  • 7 voetwortelbeentjes (tarsalia)
  • 5 middenvoetsbeentjes (metatarsalia)
  • 14 teenkootjes (phalanges)

Voetwortelbeentjes

De voetwortelbeentjes zijn korte botten die door kleine vlakke gewrichten met elkaar verbonden zijn.
Een opvallend bot in deze groep is het sprongbeen (talus), dat een centrale rol speelt in het enkelgewricht.

Middenvoetsbeentjes

De vijf middenvoetsbeentjes zijn kleine pijpbeenderen die de verbinding vormen tussen de voetwortel en de tenen. Ze dragen het lichaamsgewicht bij het staan en lopen en vormen de basis van de voetboog.

Teenkootjes

Elke voet heeft veertien teenkootjes.
De grote teen heeft twee kootjes, terwijl de overige tenen er drie hebben.
Tussen de teenkootjes onderling en tussen de middenvoetsbeentjes en de teenkootjes bevinden zich scharniergewrichten, die zorgen voor buig- en strekbewegingen van de tenen.

De verschillende botten + functies

Wat gaan wij bespreken in dit kopje?

In dit kopje gaan wij het hebben over de verschillende botten in het menselijk lichaam en de functies hier van.

Ook gaan wij het hebben over de bouw van het bot en de botopbouw en -afbraak.

 

 

Syenna Koll

Botten

In het menselijk lichaam zitten 200 verschillende botten die onderverdeeld zijn in 4 groepen:
  • Pijnbeenderen.
  • Platte beenderen.
  • Korte beenderen.
  • Onregelmatige beenderen.

Syenna Koll

Juf Danielle - Botten

Bouw van het bot

Het botweefsel is een steunweefsel met een hele stevige tussencelstof, dit heet de matrix. Deze stevigheid komt voornamelijk door de kalkzouten, dit maakt ongeveer 70% van de tussencelstof. De rest bestaat uit collagene vezels, deze geven het bot veerkracht.

De verschillende onderdelen in het bot zijn:

  • Het botvlies -> periost.
  • Compact botweefsel -> substantia compacta.
  • Sponsachtig botweefsel -> substantia spongiosa.

 

 

Syenna Koll

Botvlies (periost)

Alle botten zijn bedekt in periost. Het vlies is taai en is gemaakt van straf bindweefsel. Dit is bindweefsel waarin veel opeengepakte collageenvezels zitten, waardoor het sterk en trekvast is.

Het periost voorziet het bot ook van bloed door middel van aanvoerende en afvoerende bloedvaten.

Syenna Koll

Compact botweefsel (substantia compacta)

Substantia compacta ligt tegen het periost aan. Dit is vrij massief, omdat er botbuizen (osteonen) tegen elkaar aan liggen. Een osteon is een lange zuil van botweefsel met een holte in het midden. Deze holte heet het haverskanaal, hierin zitten bloedvaten.

Syenna Koll

Sponsachtig bindweefsel (substantia spongiosa)

De naam substantia spongiosa heeft deze naam gekregen, omdat het op een spons lijkt. In het substantia spongiosa is botweefsel gestructureerd tot een netwerk van beenbalkjes. Deze worden van elkaar gescheiden door holten, in deze holten zit rood beenmerg.

Het rode beenmerg is erg belangrijk. Dit is omdat het continu nieuwe rode bloedcellen vormt.

Syenna Koll

Botafbraak & botopbouw

Het botweefsel wordt meestal met de dood geassocieerd, zo wordt bijvoorbeeld een schedel gebruikt als symbool voor de dood, maar niks is minder waar!

Het botweefsel is erg rijk doorbloedt en heeft een hoge stofwisseling. Ook vertoont het een constante cyclus van opbouw en afbraak. Hierdoor wordt de botstructuur onderhouden, hersteld of versterkt.

De afbraak wordt gedaan door botvretende cellen (osteoclasten). Dit zijn grote bindweefselcellen die zuren en enzymen afscheiden. Ze breken het botweefsel van de osteon af.

De opbouw wordt gedaan door botvormende cellen (osteoblasten). Dit zijn bindweefselcellen die de tussencelstof voor een nieuw osteon vormt. 

Als er een nieuw osteon is gevormd, zijn de osteoclasten uitgewerkt en veranderen ze in botcellen (osteocyten). Deze zorgen voor het onderhoud van het botweefsel.

 

Syenna Koll

Pijpbeenderen

Pijpbeenderen zijn pijpvormijge, slanke botten. Ze zijn altijd langer dan breed.

Het vrij dunne middengedeelte heet een schacht (diafyse). De buitenkant hiervan bestaat uit substantia compacta, met daarin een dunne laag substantia spongiosa. Verder is de diafyse hol van binnen, deze holte heet de mergholte.

In de mergholte zit geel beenmerg, dit bestaat voornamelijk uit vetweefsel.

Het brede uitiende heet de epifyse. Dit bestaat grotendeels uit substantia spongiosa, met aan de buitenkant een kleine laag substantia compacta.

Pijpbeenderen geven grote steun aan het lichaam, of aan delen van het lichaam. Door de lengte werkt het als een hefboom. Pijpbeenderen komen ook alleen in de ledematen voor.

Bij de arm & hand:

  • Het opperambeen.
  • De ellepijp.
  • Het spaakbeen.
  • De middenhandsbeentjes.
  • De vingerkootjes.

Bij het been en de voet:

  • Het dijbeen.
  • Het scheenbeen.
  • Het kuitbeen.
  • De middenvoetsbeentjes.
  • De teenkootjes.

 

Syenna Koll

Platte beenderen

De meeste platte beenderen zijn breed en lang. Wel zijn alle platte beenderen plat.

Doordat platte beenderen een groot oppervlak hebben, zijn ze ideaal voor de aanhechting van spieren. Sommige platte beenderen hebben als functie het beschermen van onderliggende organen, zoals de ribben die de longen en het hart beschermen.

De verschillende platte beenderen zijn:

  • De schedelbeenderen.
  • De schouderbladen.
  • De heupbeenderen.
  • De ribben.
  • Het borstbeen.

 

Syenna Koll

Korte beenderen

De korte beenderen zijn klein en zijn vaak even lang als breed. Deze botjes zijn geschikt om krachten te verdelen, die ontstaan bij mechanische belasting. Hierbij kan je denken aan dingen tillen, duwen, trekken of bukken.

De korte beenderen zijn:

  • De handwortelbeentjes.
  • De voetwortelbeentjes.
  • De knieschijven.

 

Syenna Koll

Onregelmatige beenderen

De onregelmatige beenderen kunnen uiteenlopende vormen en functies hebben, hierdoor zijn ze niet in te delen in de andere groepen.

De onregelmatige beenderen zijn:

  • De bovenkaak en onderkaak -> de functies van de kaak zijn alle mondbewegingen, zoals lachen, kauwen, slikken, praten.
  • De gebitselementen -> de functies van de gebitselementen zijn het vewerken van voedsel, bijten, helpen bij spreken.
  • De wervels -> de functie van de wervels is het ondersteunen van het lichaam en beschermen ze het ruggenmerg en de zenuwen.
  • Het tongbeen -> de functie van het tongbeen is het ondersteunen van de tong en het strotten hoofd. Het helpt bij slikken, spreken en bewegingen van de onderkaak. Ook is het een aanhechtingspunt voor spieren.
  • De botten aan de basis van de schedel ->  de functie van deze botten is het beschermen van de hersenen, zintuigen en het bieden van aanhechtingspunten voor spieren en zenuwen die de hersenstam met het lichaam verbindt.

 

Syenna Koll

De spieren, pezen en gewrichten + functies hiervan

Spieren

Spieren laten (delen van) het lichaam bewegen en kunnen samentrekken en weer ontspannen.

Opbouw van spieren: spieren bestaan voornamelijk uit spiercellen die helemaal opgevuld zijn met langwerpige eiwitketens. Dit zijn myofibrillen.

> Myofibrillen bevatten twee typen draadvormige eiwitten, namelijk actine en myosine.

 

Er zijn drie typen spierweefsel:

  Onder de microscoop Waar te vinden? Wat is de functie?

         

Dwarsgestreept spierweefsel                                                           

Er zijn dwarse strepen te zien, die heel regelmatig van elkaar geordend liggen. Bevinden zich bijna allemaal aan het skelet vast. Zorgen voor de beweging van het skelet.
Glad spierweefsel Er is geen streping te zien. Bevinden zich in de wand van inwendige organen, zoals bijvoorbeeld de maag en de darmen. Zorgen voor langzame automatische bewegingen (zoals peristaltiek).
Hartspierweefsel                      Er zijn dwarse strepen te zien, deze zijn echter veel kleiner dan de dwarsgestreepte spiervezels. Bevinden zich alleen in het hart. Zorgen voor het samentrekken van het hart en daarmee het rondpompen van bloed door het lichaam heen.

 

Pezen

Opbouw: Een pees (tendo) is het uiteinde van een skeletspier. Aan het einde van de spier komen de bindweefsellagen van de spier (rond de spier, spierbundels en spiervezels) samen en vormen de pees.

Een pees bestaat voornamelijk uit straf bindweefsel met veel collagene vezels. Dit bindweefsel is stevig en weinig elastisch, waardoor de pees grote trekkrachten kan doorgeven.

Plaats - Pezen bevinden zich aan beide uiteinden van een spierbuik. Ze verbinden de spier met het bot waaraan de spier vastzit. 

Voorbeelden zijn:

  • De achillespees bij de kuitspier (verbindt de kuitspier met het hielbeen);
  • De kniepees bij de dijspier (verbindt de quadriceps met het scheenbeen).

Werking: Wanneer een spier samentrekt (dit noem je contractie), ontstaat er trekkracht op de pezen. De pezen trekken vervolgens aan het bot waarop ze vastzitten. Daardoor bewegen de botten ten opzichte van elkaar rond een gewricht. De pezen werken als de overbrengers van de spiekracht naar het skelet. 

Pezen hebben een paar functies, namelijk:

  • Het vormt de verbinding tussen spier en bot;
  • Het overbrengen van de kracht van de samentrekkende spier naar het bot;
  • Beweging mogelijk maken door het bot te laten bewegen bij spiersamentrekking;
  • Versteviging van de spieraanhechting door het sterke bindweefsel.

 

Gewrichten

Een gewricht (articulatio) is de verbinding tussen twee botten die beweging mogelijk maakt. De uiteinde van de botten vormen samen het gewricht en heten gewrichtsvlakken. Vaak is het ene uiteinde bol (de kop) en het andere uiteinde hol (de kom).

Er zijn zeven soorten gewrichten, zie de tabel hieronder:

Benaming Bewegingsmogelijkheid Plaats (voorbeeld)
Kogelgewricht. Beweging in alle richtingen. Schouder, heup.
Ellipsvormig gewricht. Beweging in twee assen. Pols.
Zadelgewricht. Beweging in twee loodrechte richtingen. Duim.
Scharniergewricht. Buigen en strekken in één richting. Elleboog, knie.
Rolgewricht. Rollende beweging om de lengteas. Spaakbeen en ellepijp.
Vlakgewricht. Kleine schuifbewegingen. Tussen handwortelbeentjes.
Straf gewricht. Bijna onbeweeglijk. Tussen heiligbeen en darmbeen.

 

Gewrichten hebben meerdere functies, namelijk

  • Zorgen voor beweging tussen botten;
  • Opvangen van schokken door kraakbeen en het opvangen van stoten;
  • Verminderen van wrijving dankzij gewrichtssmeer (synovia);
  • Versterken en stabiliseren van het skelet met gewrichtsbanden;
  • Doorgeven van krachten tussen botten tijdens beweging.

 

Soorten gewrichten en de bouw

  • Het arrangement LE4 Anatomie van het bewegingsstelsel is gemaakt met Wikiwijs van Kennisnet. Wikiwijs is hét onderwijsplatform waar je leermiddelen zoekt, maakt en deelt.

    Auteur
    WGU le4
    Laatst gewijzigd
    22-10-2025 08:47:25
    Licentie

    Dit lesmateriaal is gepubliceerd onder de Creative Commons Naamsvermelding 4.0 Internationale licentie. Dit houdt in dat je onder de voorwaarde van naamsvermelding vrij bent om:

    • het werk te delen - te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of bestandsformaat
    • het werk te bewerken - te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
    • voor alle doeleinden, inclusief commerciële doeleinden.

    Meer informatie over de CC Naamsvermelding 4.0 Internationale licentie.

    Aanvullende informatie over dit lesmateriaal

    Van dit lesmateriaal is de volgende aanvullende informatie beschikbaar:

    Toelichting
    In deze les staat het bewegingsstelsel beschreven.
    Leerniveau
    VSO;
    Leerinhoud en doelen
    Sociaal-emotionele ontwikkeling;
    Eindgebruiker
    leerling/student
    Moeilijkheidsgraad
    gemiddeld
    Studiebelasting
    8 uur 0 minuten

    Bronnen

    Bron Type
    uitleg van het skelet
    https://www.youtube.com/watch?v=ZyaCA3xawQ8&t=27s
    Video
    Juf Danielle - Botten
    https://www.youtube.com/watch?v=eFJuzdBHM0k
    Video
    Soorten gewrichten en de bouw
    https://youtu.be/_vduJjoPyCY?si=wvLgaabCXJ23esaQ
    Video
  • Downloaden

    Het volledige arrangement is in de onderstaande formaten te downloaden.

    Metadata

    LTI

    Leeromgevingen die gebruik maken van LTI kunnen Wikiwijs arrangementen en toetsen afspelen en resultaten terugkoppelen. Hiervoor moet de leeromgeving wel bij Wikiwijs aangemeld zijn. Wil je gebruik maken van de LTI koppeling? Meld je aan via info@wikiwijs.nl met het verzoek om een LTI koppeling aan te gaan.

    Maak je al gebruik van LTI? Gebruik dan de onderstaande Launch URL’s.

    Arrangement

    IMSCC package

    Wil je de Launch URL’s niet los kopiëren, maar in één keer downloaden? Download dan de IMSCC package.

    Voor developers

    Wikiwijs lesmateriaal kan worden gebruikt in een externe leeromgeving. Er kunnen koppelingen worden gemaakt en het lesmateriaal kan op verschillende manieren worden geëxporteerd. Meer informatie hierover kun je vinden op onze Developers Wiki.