Nederlands HVX 4-h/v P3 Leesvaardigheid 2024-2025

Nederlands HVX 4-h/v P3 Leesvaardigheid 2024-2025

Infographic

Planning

Planning 4HV periode 3

Deze periode gaan we oefenen met het lezen van teksten en het maken van vragen. Dit is een stapje richting je examen.

Tijdens de blox wordt uitgelegd hoe je dit aanpakt en we oefenen samen. Daarnaast maak je het werk uit onderstaande planner als oefening voor de toets. Het cijfer van deze toets telt 2x meer.

De theorie vind je vaak in de vorm van een filmpje. Maak dan aantekeningen, zodat je het makkelijk kunt leren.

Ook leest iedereen zijn derde boek en maakt er een mindmap bij. Nog geen mindmap bij Joe Speedboot gemaakt? Dan haal je dit in. Volgend jaar moet je 8 (!) mindmaps meenemen naar je mondeling, dus zorg ervoor dat je niet gaat achterlopen.

Succes!

Week

Nederlands

Week 7

  • Leesboek uitkiezen
  • Oefenboekje bij HGD ophalen.
  • Neem in de quest de theorie door: tekstsoort en schrijfdoel, tekstverbanden, hoofdgedachte en hoofdvraag, citeren en in eigen woorden en functies van tekstgedeelten.
  • Maak de vragen bij de tekst ‘Ook de snapchatgeneratie vindt technologie vaak ingewikkeld’.
  • Kijk je werk na tijdens een (zelfwerk)blox van HGD.

Week 8

Voorjaarsvakantie

Week 9

  • Herhaal de theorie van voor de vakantie.
  • Maak alvast een plan voor het leren van alle theorie. Op de toets krijg je óók theorievragen.
  • Maak de vragen bij de tekst ‘De strijd van de bieb om de puber die niet wil lezen’.
  • Kijk je werk na tijdens een (zelfwerk)blox van HGD
  • Lees in je leesboek.

Week 10

  • Neem in de quest het volgende stuk theorie door: argumentatie, argumenteren, tegenargumenten en weerleggingen, argumentatiestructuren, argumentatieschema’s en aanvaardbaarheid van argumentatie.
  • Maak de vragen bij de tekst ‘Ga toch eens een weekendje spelen’.
  • Kijk je werk na tijdens een (zelfwerk)blox van HGD.
  • Lees in je leesboek.

Week 11

  • Leer de theorie.
  • Maak de vragen bij de tekst ‘De dienstplicht voor vrouwen in geen emancipatie'
  • Kijk je werk na tijdens een (zelfwerk)blox van HGD.
  • Lees in je leesboek.

Week 12

  • Leer de theorie.
  • Maak de vragen bij de tekst ‘Stervende talen’.
  • Kijk je werk na als een (zelfwerk)blox van HGD.
  • Lees in je leesboek.

Week 13

Toetsweek 3

Toets leesvaardigheid (telt 2x mee)

Deadline day: mindmap bij boek 3 inleveren (en evt. nog die van Joe Speedboot)

Week 14

Toetsweek 3

Boek lezen

Hoe kies ik een boek?

Een boek kiezen kan best lastig zijn, want de keuze is reuze. Iedereen heeft een andere smaak,  wij weten zeker dat er ook iets voor jou bij zit.

Het is in de bovenbouw belangrijk dat je steeds iets moeilijkere boeken gaat lezen. Hierdoor train jij jouw leesvaardigheid en daar ga je bij het vak Nederlands en in je latere leven veel aan hebben.

Hieronder delen we wat tips voor het kiezen van een goed boek.

 

1. Ga naar Lezen voor de lijst | 15-18 jaar | Jeugdbibliotheek. Hier kun je allerlei boeken vinden die jij sowieso voor Nederlands mag lezen. We dagen je uit om te beginnen bij een boek van niveau 2 en in de bovenbouw op te bouwen naar niveau 4.

Op deze website kun je de boeken sorteren op niveau, maar ook op genre of onderwerp. Vind jij voetbal interessant of lees je graag over liefde? Klik dit dan aan op de website. Je vindt dan alle boeken die hierover gaan.

Je kunt ook een test maken. Na deze test krijg je een niveau aangeraden én je krijgt een paar leestips.

2. Op leesadviezen.nl kun je via een stappenplan boeken vinden die bij jou passen. Klik door de stappen heen en je ziet de boeken die wel wat voor jou zijn!

3. Hebban.nl is een website waarop je allerlei reviews van boeken kunt lezen en ook hier kun je sorteren op genre. Je kunt ook gratis een account aanmaken en leeslijsten maken voor jezelf.

 

Twijfel je of jij je boek mag lezen voor Nederlands? Vraag het dan aan je vakcoach!

 

stiekem stopt mijn leraar Nederlands zelfgemaakt gedichten in zijn  proefwerken in de hoop ooit nog ontdekt te worden - Loesje

De bieb bezoeken

Nu je weet welk boek je zou willen lezen, moet je dit boek gaan bemachtigen. Je kunt dit op verschillende manieren aanpakken: het boek kopen, het boek van iemand lenen (bijvoorbeeld uit een kast op HVX) of het boek lenen bij de bibliotheek.

Bij de bibliotheek kan iedereen tot 18 jaar gratis boeken lenen. Het enige dat je nodig heb is een bibliotheekpas. Waarschijnlijk heb je die al, want in de onderbouw bieden we leerlingen ook de mogelijkheid om deze pas via HVX te bestellen.

Heb je nog geen pas, dan kan je dit heel makkelijk zelf aanvragen. Ga naar onderstaande website om lid te worden van de bibliotheek Haarlemmermeer. Deze zit o.a. in Nieuw-Vennep. Het is GRATIS (!).

https://www.cpunt.nl/bibliotheek/lid-worden

Wil je hier hulp bij? Kom dan langs bij een vakcoach.

 

Sorry dat ik dit boek zo laat terugbreng / maar het wilde me maar niet  loslaten - Loesje | Citaten over lezen, Boeken, Boeken lezen

Het lezen plannen

Net als al het andere huiswerk moet je lezen ook plannen. We leven nu eenmaal in een wereld waarin er heel veel afleiding is en waarin het steeds lastiger wordt om rustig met een boek te gaan zitten.

Maak met jezelf een afspraak over hoeveel bladzijdes je per week of per dag wilt lezen en zet dit in je eigen planning.

Rekenvoorbeeld:

We gaan uit van 5 weken (35 dagen).

200 bladzijden

40 per week    

6 per dag

300 bladzijden

60 per week

9 per dag

400 bladzijden

80 per week

12 per dag

 

Over een bladzijde lezen doet een gemiddelde leerling 2 minuten. Een boek van 300 bladzijdes lezen komt dus uit op ongeveer 20 minuten per dag.

Wanneer jij het liefst leest, is heel persoonlijk. Wat wij terugkrijgen van leerlingen zijn de volgende momenten:

- Tijdens het ontbijt.

- Aan het begin of einde van een blox.

- Direct als je thuiskomt.

- In bed, voordat je gaat slapen.

Hoe maak je een mindmap?

In je examenjaar heb jij een mondeling over de 8 boeken die jij in de bovenbouw gelezen hebt. Een heel boek onthouden is best lastig. Je maakt daarom een mindmap bij elk gelezen boek. Zo heb jij een fijne spiekbrief voor tijdens je mondeling!

Hoe je zo'n mindmap maakt, wordt tijdens de blox uitgelegd. Kom dus langs tijdens de blox!

In onderstaand document staan de punten die je in ieder geval op moet nemen in jouw mindmap.

 

Theorie Leesvaardigheid

Hoe lees je en tekst en beantwoord je een vraag?

Stappenplan: tekst lezen en vragen beantwoorden op het centraal examen Nederlands

Op het centraal examen Nederlands komen verschillende soorten teksten en vragen voor. Door jezelf een stappenplan aan te leren, zorg je ervoor dat je de vragen volledig beantwoordt en niks over het hoofd ziet. Hieronder staan stappenplannen voor de meest voorkomende teksten en vragen.

 

Teksten lezen

Tijdens het examen Nederlands moet je veel teksten verwerken. Als je actief leest, onthoud je beter wat je gelezen hebt en je vindt informatie sneller terug.

Zo doe je dat:

  1. Lees de titel en scan de tekst en de vragen. Je weet dan al een beetje waar de tekst over zal gaan en je activeert je voorkennis.
  2. Lees de tekst zorgvuldig en noteer na elke alinea kort in de kantlijn waar de alinea over gaat. Door samen te vatten, denk je na over de gelezen tekst. Je begrijpt het beter. Daarnaast vind je informatie sneller terug. Extra: je kunt de kernzinnen markeren.
  3. Lees je aantekeningen nog eens door. Hier door zie je nog een keer hoe de tekst is opgebouwd.

 

Open vragen

  1. Lees de vraag nauwkeurig en onderstreep de kernbegrippen.
  2. Ontdek de vraagstructuur en zet dit om naar een antwoordstructuur waarin je ook de vraag herhaalt.
  3. Je kunt nu het begin van je antwoord vaak al opschrijven.
  4. Zoek het tekstgedeelte op waar de vraag over gaat. Lees dit grondig door.
  5. Bedenk het antwoord op de vraag. Blijf zo dicht mogelijk bij de tekst.
  6. Noteer je antwoord. Gebruik hierbij de antwoordstructuur die je had bedacht.
  7. Controleer of je de vraag hebt beantwoord én of je antwoord ook daadwerkelijk in de tekst te vinden is.

 

Een voorbeeld

(1p) Leg uit wat er in de tekst met ‘sekse-stereotypering’ bedoeld wordt.

  • vraagstructuur: leg uit + begrip
  • antwoordstructuur: Het begrip sekse-stereotypering betekent dat …

(2p) Noem twee redenen uit de alinea’s 9 en 10 waarom we vernieuwingen toch mooier gaan vinden.

  • vraagstructuur: 2 redenen noemen
  • antwoordstructuur: We zijn vernieuwingen toch mooier gaan vinden. De eerste reden hiervoor is …, de tweede reden is…

NB Het herhalen van de vraag kost je geen woorden. Pas na de herhaling begin je dus met woorden tellen.

 

Meerkeuzevragen

  1. Dek de antwoordmogelijkheden af.
  2. Lees de vraag nauwkeurig en onderstreep de kernbegrippen.
  3. Zoek het tekstgedeelte op waar de vraag over gaat. Lees dit grondig door.
  4. Bedenk zelf het antwoord op de vraag.
  5. Bekijk de antwoordmogelijkheden en kies het antwoord dat het beste past bij wat jij hebt bedacht.
  6. Lees de vraag nog een keer en controleer of je de vraag hebt beantwoord én of het antwoord ook daadwerkelijk in de tekst te vinden is.
  7. Bedenk eventueel waarom de andere antwoorden fout zijn.

 

Citeervragen

Bij een citeervraag moet het antwoord letterlijk uit de tekst komen. Je zoekt het antwoord in de tekst en citeert de (deel)zin(nen) door de eerste en laatste drie woorden op je antwoordblad op te schrijven. Gebruik daarbij aanhalingstekens en noteer de regelnummers er tussen haakjes achter.

Voorbeeld: “Daar moeten ze … gebruik van maken.” (r. 138-141)

Controleer altijd of jouw citaat antwoord geeft op de vraag.

Tekstsoort en schrijfdoel

De belangrijkste tekstsoorten zijn:

1. Uiteenzetting (informatieve tekst).

In deze tekst legt de schrijver iets uit of hij verklaart iets, beschrijft iets of doet een mededeling. Deze tekst is objectief en bedoeld om de lezer te informeren.

2. Betogende tekst.

In deze tekst neemt de schrijver een standpunt in en dit standpunt wordt onderbouwd met argumenten. Deze tekst is subjectief en bedoeld om de lezer te overtuigen.

3. Beschouwende tekst.

In deze tekst biedt de schrijver je verschillende interpretaties, verklaringen en meningen ter overweging aan. Deze is tekst is voornamelijk objectief, soms met een subjectief randje. Een verschijnsel wordt van verschillende kanten bekeken. De lezer kan hierdoor zijn eigen mening vormen. De schrijver probeert je niet van een bepaald standpunt te overtuigen.

 

Er zijn verschillende schrijfdoelen:

1. informeren

2. uiteenzetten

3. overtuigen

4. tot actie aanzetten

5. beschouwen

6. vermaken

 

Het is mogelijk dat er in een tekst twee of meer schrijfdoelen worden gecombineerd.

Tekstverbanden

Het verband tussen zinnen en alinea's kunnen op meerdere manieren worden aangegeven. Het gebruik van signaalwoorden is een manier. Ze geven de lezer ook belangrijke informatie over de opbouw van een tekst. 

In onderstaande video worden de tekstverbanden en de meest voorkomende bijbehorende signaalwoorden besproken. HIER vind je een lijst. 

 

 

Je kan de opbouw van een tekst ook aangeven met signaalzinnen. Je kunt in je tekst met een zin aankondigen wat je gaat doen, terugblikken op wat je hebt gedaan of een combinatie van beide doen. 

 

Ik zal de voor- en nadelen van deze nieuwe innovatie bespreken. 

Van de besproken voordelen lijkt deze me het meest relevant. 

Wat kunnen we concluderen als we de besproken voor- en nadelen naast elkaar zetten?

 

Hoofdgedachte en hoofdvraag

Op het examen moet je de hoofdgedachte of de hoofdvraag van een tekst kunnen benoemen. In onderstaande video wordt besproken hoe je dat doet. 

Citeren en in eigen woorden

Citeren
Bij een citeervraag moet het antwoord letterlijk uit de tekst komen. Je zoekt het antwoord in de tekst en citeert de (deel)zin(nen) door de eerste en laatste drie woorden op je antwoordblad op te schrijven. Gebruik daarbij aanhalingstekens en noteer de regelnummers er tussen haakjes achter.
Voorbeeld: "Daar moeten ze … gebruik van maken." (r. 138-141)
Controleer altijd of jouw citaat antwoord geeft op de vraag.

Soms moet je een woord of woordgroep citeren. Je zet dan het woord of de woordgroep tussen aanhalingstekens en je zet het regelnummer erachter. 

"paarse olifant" (r. 34)

In eigen woorden

Als ervan je wordt gevraagd om iets in eigen woorden op te schrijven, dan mag je het beslist niet citeren. Je schrijft het in je eigen woorden, door de informatie uit de tekst samen te vatten en een beetje aan te passen. Belangrijke woorden mag je natuurlijk wel overnemen, maar hele zinnen niet. 

Vaak moet je je ook aan een maximaal aantal woorden houden. Het is dan handig om je antwoord eerst in het klad op te schrijven en je woorden te tellen. Alles wat je als te veel woorden opschrijft, wordt niet nagekeken. 

Functie van tekstgedeeltes

Een stukje tekst, bijvoorbeeld een alinea, heeft een bepaalde functie binnen de rest van de tekst. In onderstaande video worden de belangrijkste functies van tekstgedeelten uitgelegd.

Klik hier voor alle functiewoorden met uitleg.

In het examen krijg je hier regelmatig vragen over. Zo moet je bijvoorbeeld de functie van de inleiding kunnen benoemen.

Argumentatie, de basis

 

Als je een standpunt over iets inneemt, dan geef je je mening over die zaak.

Voorbeelden van standpunten:

  • Ik denk dat we beter niet naar het gala kunnen gaan.
  • Zonder begeleiding in zee gaan duiken is volgens mij erg onverstandig.
  • Ik vind dat de meeste mensen geen verstand van muziek hebben.

 

Je kunt een standpunt meestal aan de volgende signaalwoorden herkennen: ik vind, volgens mij, ik denk dat, mijn conclusie is dat, dus, daarom, kortom.

 

Positief, negatief en twijfel

Er zijn drie soorten standpunten:

 

  • een positief standpunt: Ik vind dat we als voorbereiding op het examen meer oude examens moeten maken.
  • een negatief standpunt: Volgens mij moeten we als voorbereiding op het niet meer oude examens examen maken.
  • een standpunt van twijfel: Ik ben er nog niet uit of het goed is dat we als voorbereiding op het examen meer oude examens moeten maken.

 

 

Met argumenten kun je je eigen standpunt verdedigen of het standpunt van een ander aanvallen. Met een weerlegging ontkracht je een (tegen)argument. Een argument kan vóór of áchter het standpunt staan. Voorbeelden:

 

  • De meeste politici zijn niet te vertrouwen (argument), dus ik ga in de toekomst niet meer stemmen (standpunt).
  • Ik vind dat prostitutie niet gelegaliseerd moet worden (standpunt), want veel vrouwen worden ertoe gedwongen (argument).

 

Je kunt argumenten vaak herkennen aan signaalwoorden als want, omdat, namelijk, aangezien en immers.

 

Samengevat

Argumenten, tegenargumenten en weerleggingen

Feitelijke en waarderende argumenten

 

Als je je mening geeft, onderbouw je die met argumenten. Die argumenten kunnen controleerbaar zijn, dan spreek je over feitelijke argumenten. Denk hierbij aan feiten, onderzoeksresultaten of uitspraken van autoriteiten. Over feitelijke argumenten kun je niet van mening verschillen, omdat de juistheid ervan te controleren is.

 

Voorbeeld:

S: Er moeten minder insecticiden worden gebruikt,

A: want er zijn veel dode buizerds gevonden. (feitelijk argument)

 

Zijn de argumenten niet te controleren, maar geven ze aan of iets (on)wenselijk, (on)gepast, goed of slecht, mooi of lelijk is, dan heb je te maken met waarderende argumenten. Over waarderende argumenten kun je van mening verschillen. Een waarderend argument moet vaak ondersteund worden door bijvoorbeeld feiten.

 

Voorbeeld:

S: Ik wil elk jaar wel naar Frankrijk op vakantie,

A: omdat je er zo lekker kunt eten. (waarderend argument)

 

Vanaf 0.22 gaat het over feitelijke en waarderende argumenten.

 

Tegenargumenten en weerleggingen

Als je je mening geeft, onderbouw je die met argumenten. Die argumenten kunnen controleerbaar zijn, dan spreek je over feitelijke argumenten. Denk hierbij aan feiten, onderzoeksresultaten of uitspraken van autoriteiten. Over feitelijke argumenten kun je niet van mening verschillen, omdat de juistheid ervan te controleren is.

 

Voorbeeld:

S: Er moeten minder insecticiden worden gebruikt,

A: want er zijn veel dode buizerds gevonden. (feitelijk argument)

 

Zijn de argumenten niet te controleren, maar geven ze aan of iets (on)wenselijk, (on)gepast, goed of slecht, mooi of lelijk is, dan heb je te maken met waarderende argumenten. Over waarderende argumenten kun je van mening verschillen. Een waarderend argument moet vaak ondersteund worden door bijvoorbeeld feiten.

 

Voorbeeld:

S: Ik wil elk jaar wel naar Frankrijk op vakantie,

A: omdat je er zo lekker kunt eten. (waarderend argument)

 

Vanaf 0.22 gaat het over feitelijke en waarderende argumenten.

Argumentatiestructuren (blokjesschema's)

Argumenten kunnen op verschillende manieren het standpunt ondersteunen. Er zijn vier basisstructuren van argumentatie:

  1. enkelvoudige argumentatie
  2. onderschikkende argumentatie
  3. nevenschikkende argumentatie met onafhankelijke argumenten
  4. nevenschikkende argumentatie met afhankelijke argumenten

Hieronder komen ze alle vier aan bod. Daarnaast is er nog de 'mix', die ook wel meervoudige argumentatie wordt genoemd. Die hoef je niet te kennen voor je examen, maar het is goed te weten dat deze mengvorm er ook nog is. Daarom wordt deze structuur ook even getoond.

Verder vind je helemaal onderaan deze pagina nog twee filmpjes met uitleg over de argumentatiestructuren.

 

Enkelvoudige argumentatie

Bij enkelvoudige argumentatie is er één argument (A) dat het standpunt (S) ondersteunt. Voorbeeld:

 

Onderschikkende argumentatie

Bij onderschikkende argumentatie wordt een argument ondersteund door een ander argument. Het eerste argument heet het hoofdargument (HA); het argument dat daaronder zit, heet een subargument (SA). Voorbeeld:

 

Nevenschikkende argumentatie met onafhankelijke argumenten

Twee of meer argumenten staan naast (neven) elkaar en ondersteunen onafhankelijk van elkaar het standpunt. Argumenten zijn onafhankelijk als ze ieder op zich, zelfstandig het standpunt ondersteunen. Dit houdt in dat je ze ook los van elkaar kunt gebruiken. Voorbeeld:

 

Nevenschikkende argumentatie met afhankelijke argumenten

Twee of meer argumenten staan naast (neven) elkaar en ondersteunen afhankelijk van elkaar het standpunt. Argumenten zijn afhankelijk als ze alleen in combinatie met elkaar werken. Ze zijn dan samen nodig om het standpunt te ondersteunen; los van elkaar ondersteunen ze het standpunt niet. Dit houdt in dat je ze niet los van elkaar kunt gebruiken. Voorbeeld:

Meervoudig onderschikkende argumentatie

Meervoudige argumentatie is een mengvorm van bovengenoemde argumentatiestructuren. Hieronder zie je een voorbeeld. Deze structuur hoef je dus niet te kennen, maar het is handig dat je van het bestaan weet.

 


 

Vanaf 2.24 gaat het over argumentatiestructuren

 

Hieronder zie je een filmpje waarin Arnoud Kuijpers aan de hand van twee vragen uit een examen uitlegt hoe je argumentatiestructuren (blokjesschema's) moet invullen. Wil je het ook graag op papier? De twee vragen waar hij het over heeft, staan (inclusief de desbetreffende tekstgedeelten en de antwoorden) in het Word-bestand onder het filmpje.

 

Argumentatieschema's

 

Het geheel van argumenten en standpunt wordt een argumentatie genoemd (in informatie van voor 2017 wordt dit een redenering genoemd). De aard van het verband tussen argument(en) en standpunt noemen we argumentatieschema.

 

Er zijn verschillende argumentatieschema’s. De argumentatie kan gebaseerd zijn op:

  • oorzaak en gevolg
  • kenmerk of eigenschap
  • voor- en nadelen
  • voorbeelden
  • vergelijking
  • autoriteit

 

Eerst wordt alle theorie uitgelegd. Helemaal onderaan de pagina vind je nog twee filmpjes met uitleg.

 

Argumentatie op basis van oorzaak en gevolg

Bij dit type argumentatie wordt ervan uitgegaan dat een feit of een gebeurtenis zal leiden tot een ander feit of andere gebeurtenis. Voorbeelden:

 

  • Zijn vader is onlangs overleden (oorzaak en argument). Daardoor is voor hem op dit moment zijn examen van minder belang (gevolg en standpunt).

 

  • Het zou mij niet verbazen als we straks allemaal buikpijn hebben (gevolg en standpunt). Het vlees was namelijk nog helemaal rood van binnen, zo slecht doorbakken was het (oorzaak en argument).

 

Argumentatie op basis van kenmerk of eigenschap

Aan dit type argumentatie ligt de volgende gedachte ten grondslag: als alle onderdelen van een groep hetzelfde kenmerk hebben, dan heeft één onderdeel van die groep dat kenmerk ook. De gedachte die aan deze argumentatie ten grondslag ligt, wordt meestal niet expliciet vermeld. Voorbeelden:

 

  • Jeroen is eigenlijk nog een groot kind (standpunt), want het liefst speelt hij nog met zijn piratenlego (argument).

 

  • Russische leiders zijn niet gewend om kritiek te krijgen en kunnen daar niet goed mee omgaan (argument). Niet verwonderlijk dus dat Poetin zo heftig op die bloggers reageert (standpunt).

 

Argumentatie op basis van voor- en nadelen

Bij dit type argumentatie wordt er een afweging gemaakt: de voordelen worden vergeleken met de nadelen en op basis van de uitkomst daarvan wordt er een oordeel uitgesproken. Voorbeelden:

 

  • Als je 4 havo overdoet, dan krijg je wel een goede basis om in 5 havo met goede cijfers te slagen. Daar staat tegenover dat je het weliswaar heel zwaar krijgt als je overgaat naar 5 havo, maar dat je toch ook een kans hebt dat je meteen slaagt (argumenten). Als ik jou was, zou ik het proberen in 5 havo (standpunt).

 

  • Zonder parlement kan een regering veel sneller beslissingen nemen en zijn we bovendien verlost van een geldverslindende instelling. Aan de andere kant: enkelen krijgen het dan alleen voor het zeggen en willen misschien zelfs andersdenkenden het zwijgen opleggen. Dat laatste weegt toch het zwaarst (argumenten). Laten we dus het parlement maar niet afschaffen (standpunt).

 

Het kan zijn dat iemand alleen voordelen óf alleen nadelen als argumenten noemt. Er is dan sprake van argumentatie op basis van voordelen dan wel van argumentatie op basis van nadelen. Voorbeelden:

 

  • Je moet zonnecellen op het dak plaatsen (standpunt): dat is goed voor het milieu en goed voor je portemonnee (argumenten).

 

  • Je moet niet te vaak fast food eten (standpunt). Je krijgt dan veel te weinig verschillende voedingsstoffen binnen en het is ook nog eens slecht voor je gewicht (argumenten).

 

Argumentatie op basis van voorbeelden

In het geval dat een standpunt wordt ondersteund door argumenten die voorbeelden zijn, spreken we van een argumentatie op basis van voorbeelden. Voorbeelden:

 

  • Je kunt absoluut niet op hem rekenen (standpunt). Zo kwam hij gisteren zonder af te bellen niet opdagen en toen hij dat verjaardagscadeautje zou kopen, was hij dat ook vergeten. (argumenten).

 

  • Spanje kampt met grote jeugdwerkloosheid, Italië heeft een enorme staatsschuld en Griekenland blijft alleen financieel overeind dankzij Europese steun (argument). Het is duidelijk dat die Zuid-Europese landen economisch in de problemen zitten (standpunt).

 

Argumentatie op basis van vergelijking

Van dit type argumentatie is sprake als er een vergelijking wordt gemaakt tussen twee gevallen en er een overeenkomst wordt geconstateerd: omdat het in het ene geval zo is, zal het bij het andere ook

wel zo zijn. Voorbeelden:

 

  • Als Geert meegaat, dan krijgen we vast ruzie (standpunt). De vorige keer dat hij meeging, liep het ook uit de hand (argument).

 

  • De Eerste Kamer heeft het verbod op de rituele slacht tegengehouden (argument). Het wetsvoorstel van de Partij voor de Dieren over de vleestaks zal het dus ook niet halen (standpunt).

 

Argumentatie op basis van autoriteit

Als een standpunt wordt ondersteund door een uitspraak van een deskundige of een uitspraak uit een gezaghebbende bron, heet dat argumentatie op basis van autoriteit. Voorbeelden:

 

  • Je moet voortaan twee keer in de week vis eten (standpunt). Laatst bleek opnieuw uit onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen dat regelmatig vis eten goed is voor hart, bloedvaten en geheugen (argument).

 

  • Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft een negatief reisadvies voor de Krim gegeven (argument). Ik zou als ik jou was niet op vakantie gaan naar de Krim (standpunt).

 


 

Let op: in de video gaat het over redeneringen. Dat zijn de argumentatieschema's.

 

Vanaf 1.41 gaat het over argumentatieschema's (voorheen redeneringen genoemd)

 

Aanvaardbaarheid van argumentatie

 

Bij het beoordelen van een betoog of een betogend tekstgedeelte moet je kijken naar de aanvaardbaarheid van de argumentatie. Argumenten zijn meestal bedoeld om te overtuigen, soms worden ze ter overweging aangeboden.

 

Tekstsoorten en argumentatie

Argumenten komen voor in betogende teksten (of tekstgedeelten), maar ook in beschouwende teksten (of tekstgedeelten).

 

  • In een betogende tekst wordt een standpunt ingenomen dat in die tekst beargumenteerd wordt. Het betoog heeft als doel de lezer van het standpunt te overtuigen.
  • In een beschouwing worden interpretaties, verklaringen en opinies ter overweging aangeboden. De beschouwing heeft als doel de lezer over een kwestie te laten nadenken. Een beschouwing kan ook de argumenten voor en tegen een of meer standpunten behandelen, maar is er niet op gericht de lezer van een van die standpunten te overtuigen.
  • In een uiteenzettende tekst wordt iets uitgelegd, beschreven, verklaard of meegedeeld. De lezer moet geïnformeerd worden over een stand van zaken of een gang van zaken. In een uiteenzetting zullen nauwelijks argumentaties voorkomen.

 

Een betoog beoordelen

Voordat een betoog op aanvaardbaarheid beoordeeld kan worden, moet de argumentatie in kaart worden gebracht:

 

  • Welke argumenten worden er gebruikt?
  • Zijn het feitelijke of waarderende argumenten?
  • Hoe worden de argumenten ondersteund?
  • Zijn de argumenten geen drogredenen?
  • Worden er tegenargumenten genoemd?
  • Zo ja, worden die tegenargumenten dan (afdoende) weerlegd?

 

Argumentatie is aanvaardbaar als de argumenten

  • op zichzelf aanvaardbaar zijn, en
  • relevant zijn, en
  • onderling consistent zijn, en
  • samen toereikend zijn voor het ingenomen standpunt.

 

De argumenten zijn op zichzelf aanvaardbaar

Als het argument een waarderende uitspraak is, is het een aanvaardbaar argument wanneer het in overeenstemming is met de kennis en de opvattingen van de lezer.

Als het argument een feitelijke uitspraak is, is het argument aanvaardbaar voor de lezer als het

  • in overeenstemming is met zijn kennis van de wereld, of
  • direct controleerbaar is en daarbij waar blijkt te zijn, of
  • afkomstig is uit een betrouwbare bron.

 

Een bron is betrouwbaar als deze

  • deskundig is, en
  • geen belang heeft bij de kwestie, en
  • zichzelf niet tegenspreekt.

 

De argumenten zijn relevant

Als een standpunt aannemelijker wordt door een argument, dan is dat argument relevant. Als er een drogreden wordt gebruikt, is dat geen relevant argument.

 

De argumenten zijn onderling consistent

Argumentatie is consistent wanneer de geleverde argumenten elkaar niet tegenspreken.

 

De argumenten zijn samen toereikend voor het ingenomen standpunt

Argumentatie is toereikend (voldoende) wanneer de argumenten samen het standpunt aanvaardbaar maken.

 


 

Vanaf 4.53 gaat het over de aanvaardbaarheid van argumentatie

 

Gedeeld tijdens de blox

Hier delen we extra materiaal dat tijdens de blox voorbij komt. 

  • Het arrangement Nederlands HVX 4-h/v P3 Leesvaardigheid 2024-2025 is gemaakt met Wikiwijs van Kennisnet. Wikiwijs is hét onderwijsplatform waar je leermiddelen zoekt, maakt en deelt.

    Laatst gewijzigd
    29-08-2025 13:21:52
    Licentie

    Dit lesmateriaal is gepubliceerd onder de Creative Commons Naamsvermelding 4.0 Internationale licentie. Dit houdt in dat je onder de voorwaarde van naamsvermelding vrij bent om:

    • het werk te delen - te kopiëren, te verspreiden en door te geven via elk medium of bestandsformaat
    • het werk te bewerken - te remixen, te veranderen en afgeleide werken te maken
    • voor alle doeleinden, inclusief commerciële doeleinden.

    Meer informatie over de CC Naamsvermelding 4.0 Internationale licentie.

    Aanvullende informatie over dit lesmateriaal

    Van dit lesmateriaal is de volgende aanvullende informatie beschikbaar:

    Toelichting
    Oefenen met het lezen van teksten
    Eindgebruiker
    leerling/student
    Moeilijkheidsgraad
    gemiddeld
    Studiebelasting
    4 uur 0 minuten

    Gebruikte Wikiwijs Arrangementen

    Herbert Vissers eXplore. (z.d.).

    Nederlands HVX 4-h/v Column schrijven en Joe Speedboot lezen 2024-2025

    https://maken.wikiwijs.nl/208400/Nederlands_HVX_4_h_v_Column_schrijven_en_Joe_Speedboot_lezen_2024_2025

  • Downloaden

    Het volledige arrangement is in de onderstaande formaten te downloaden.

    Metadata

    LTI

    Leeromgevingen die gebruik maken van LTI kunnen Wikiwijs arrangementen en toetsen afspelen en resultaten terugkoppelen. Hiervoor moet de leeromgeving wel bij Wikiwijs aangemeld zijn. Wil je gebruik maken van de LTI koppeling? Meld je aan via info@wikiwijs.nl met het verzoek om een LTI koppeling aan te gaan.

    Maak je al gebruik van LTI? Gebruik dan de onderstaande Launch URL’s.

    Arrangement

    IMSCC package

    Wil je de Launch URL’s niet los kopiëren, maar in één keer downloaden? Download dan de IMSCC package.

    Voor developers

    Wikiwijs lesmateriaal kan worden gebruikt in een externe leeromgeving. Er kunnen koppelingen worden gemaakt en het lesmateriaal kan op verschillende manieren worden geëxporteerd. Meer informatie hierover kun je vinden op onze Developers Wiki.